Preek
Kom en drink
Waar gaat deze preek over?
Op het hoogtepunt van het Loofhuttenfeest, het feest van water en vreugde, roept Jezus: als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken. Een preek over Gods timing, over oordelen naar wat voor ogen is, en over Nicodemus, die traag maar zeker onderweg is.
In deze preek
Johannes 7:1–52 · Jesaja 12:2–3 · Zacharia 14:8, 16
Zijn tijd, niet de onze
Er zijn twee klokken die door ons leven heen lopen. De ene klok wordt gezet door de mensen om ons heen: wat zij verwachten, wat er hoort, wat nu eindelijk eens moet gebeuren. De andere klok wordt gezet door de Vader.
In Johannes 7 lopen die twee klokken hard door elkaar. Het Loofhuttenfeest komt eraan, het grootste en vrolijkste feest van het Joodse jaar. Zeven dagen woonde heel Israël in hutten van takken, ter herinnering aan de woestijntocht. En de broers van Jezus hebben een advies:
Vertrek vanhier en ga weg naar Judea, zodat ook Uw discipelen de werken die U doet kunnen zien. Want niemand doet iets in het verborgene, en streeft er tegelijk zelf naar dat men openlijk over hem spreekt. Als U deze dingen doet, maak Uzelf dan openbaar aan de wereld.
Het klinkt bijna verstandig. Als U echt bent wie U zegt te zijn, ga dan naar Jeruzalem. Daar zijn de mensen. Daar gebeurt het. Laat U zien.
Johannes voegt er iets pijnlijks aan toe: "Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem" (vers 5). Zij zijn met Jezus opgegroeid. Zij kennen de verhalen en hebben de wonderen gezien. En toch geloven ze niet werkelijk. Hun advies komt niet uit geloof, maar uit een heel menselijk instinct: als je iets te bieden hebt, moet je toch zichtbaar zijn?
Jezus antwoordt: "Mijn tijd is nog niet aangebroken, maar uw tijd is er altijd" (vers 6).
Dat is meer dan een uitstel. Het is een onderscheid. Er is een tijd die door mensen wordt bepaald; die is er altijd, je kunt er elk moment op inspringen. En er is een tijd die door de Vader wordt bepaald. Jezus laat Zich niet opjagen door de eerste, omdat Hij leeft vanuit de tweede.
Dat is trouwens geen eigenwijsheid. Halverwege het feest doet Jezus precies wat Zijn broers Hem aanraadden: Hij gaat naar Jeruzalem en onderwijst openlijk in de tempel (vers 14). Het verschil is niet óf Hij gaat, maar van wie Hij het initiatief overneemt. Hij werd niet bestuurd door verwachtingen. Hij werd geleid door Zijn Vader.
Denk aan hoeveel van onze eigen beslissingen bepaald worden door diezelfde vraag: wat zullen ze ervan vinden? Wat hoort er? Wat wordt er van mij verwacht? Dat speelt thuis, op het werk, in families, en zeker ook in gemeenten, waar bijna alles al een gewoonte heeft: zo hoort een dienst, zo hoort een lied, zo hoort een leider zich te gedragen. Voor je het weet leef je niet meer voor God, maar voor de klok van de mensen om je heen.
Jezus laat zien dat er een andere vraag is om mee te beginnen: niet wat verwachten zij van mij, maar wat vraagt de Vader van mij. Dat is geen vrijbrief om je nergens iets van aan te trekken; dat zou geen vrijheid zijn, maar onverschilligheid. Het is afhankelijkheid. En afhankelijkheid van de Vader is precies wat Jezus, midden in alle drukte van het feest, overeind houdt.
Iedereen heeft een antwoord op de vraag: wie is Hij?
Wanneer Jezus in Jeruzalem aankomt, barst de discussie los:
En er was veel gemompel over Hem onder de menigten. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Nee, maar Hij misleidt de menigte.
Verderop in het hoofdstuk vraagt de een zich af hoe Hij zoveel kan weten zonder onderwijs te hebben genoten (vers 15). Een ander zegt dat Hij een demon heeft (vers 20). Weer een ander overweegt of Hij niet toch de Christus is (vers 26), waarna er meteen een tegenwerping komt: wij weten toch waar Hij vandaan komt, en de Christus komt uit het verborgene (vers 27).
Het hele hoofdstuk door heeft iedereen een mening over Jezus. En dat is precies wat opvalt wanneer je Johannes 7 leest naast Johannes 3, 5 en 6, waar we de afgelopen tijd doorheen zijn gegaan. Bij Nicodemus, bij de man bij Bethesda, bij de mensen die de broden hadden gegeten, ging het steeds om een directe ontmoeting met Jezus. Hier verschuift het gesprek: mensen praten niet alleen met Jezus, ze praten vooral óver Hem, terwijl Hij vanaf vers 14 gewoon in hun midden staat en hun vragen rechtstreeks beantwoordt (verzen 15-24). Dat is geen kwestie van Hem negeren, maar van Hem beoordelen. Past Hij bij wat wij verwachten? Klopt Hij met onze theologie, onze traditie, ons beeld van hoe de Messias zich zou gedragen?
Midden in die discussie zegt Jezus iets wat je makkelijk voorbij zou lezen: "Oordeel niet naar wat voor ogen is, maar vel een rechtvaardig oordeel" (vers 24).
Dat vers gaat, in zijn eigen verband, over iets heel concreets. De leiders willen Jezus veroordelen omdat Hij op de sabbat een man genas, terwijl zij zelf op de sabbat een jongetje besnijden zonder dat iemand daarover struikelt (verzen 21-23). Zij zien één regel en trekken daaruit een conclusie over wie Jezus is, zonder de hele wet, en zonder Jezus zelf, recht te doen.
Datzelfde patroon zien we voortdurend bij elkaar, en bij onszelf. We zien één beslissing, horen één zin, merken één afwezigheid, en vullen in ons hoofd het hele verhaal aan. Waarom deed hij dat? Dat zal wel betekenen dat… Maar we kennen het motief niet, het gesprek niet, de worsteling niet die aan die ene beslissing voorafging.
Daarom hebben we genade nodig. Niet omdat waarheid er niet toe doet, maar juist omdat zij dat wel doet: wie te snel oordeelt, oordeelt vaak helemaal niet vanuit waarheid, maar vanuit een aanname die voor waarheid wordt versleten. Johannes noemt Jezus al in hoofdstuk 1 "vol van genade en waarheid" (1:14). Niet half het één en half het ander, maar allebei volledig. Waarheid zonder genade wordt een wapen waarmee je iemand kapotmaakt. Genade zonder waarheid wordt vrijblijvend. Bij Jezus houden ze elkaar in evenwicht: waarheid die bevrijdt, genade die herstelt.
Loofhutten, water en de kreet
Het feest van het water
Om te begrijpen wat er in vers 37 gebeurt, moet je iets weten van wat er op het Loofhuttenfeest zelf gebeurde. We weten dat vooral uit de Misjna, de Joodse overlevering die dit soort feestpraktijken beschrijft. Die is pas zo'n anderhalve eeuw na deze gebeurtenis op schrift gesteld, dus over de precieze uitvoering in Jezus' tijd moeten we voorzichtig zijn. Volgens de Misjna droeg een priester elke ochtend van het feest een gouden kruik water van de vijver van Siloam naar de tempel, waar het bij het altaar werd uitgegoten (Soekka 4:9). De nacht daarvoor werd er gefeest: in de voorhof van de tempel brandden enorme lampen, zo fel dat elke binnenplaats van Jeruzalem erdoor verlicht werd. Er werd gedanst met fakkels, de Levieten speelden op hun instrumenten, en bij het hanengekraai trok de stoet naar de bron (Soekka 5:2-4). Wie die vreugde nooit had gezien, zo zegt de Misjna, had nog nooit echte vreugde gezien (Soekka 5:1).
De Joodse traditie verbond deze waterceremonie met de woorden van Jesaja:
Zie, God is mijn heil, ik zal vertrouwen en geen angst hebben, want mijn kracht en psalm is de HEERE HEERE, en Hij is mij tot heil geworden. U zult met vreugde water scheppen uit de bronnen van het heil.
Op de laatste, de grote dag van het feest gebeurt er iets. Waarschijnlijk is dat de zevende dag, het hoogtepunt van de waterceremonie, al denken sommigen aan de achtste dag. Johannes vertelt niet op welk moment van de dag het was. Maar misschien wel juist toen het water werd uitgegoten en de vreugde op zijn hoogtepunt was, staat Jezus op:
En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus daar en riep: Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken.
Niet gemompeld. Niet in een hoekje tegen een paar mensen. Johannes zegt: Hij riep. Boven het gezang, de muziek en het gejuich uit. Op het feest waarop heel Jeruzalem viert dat God water geeft, zegt de Bron van het heil: hier ben Ik.
Uit wiens binnenste?
Dan komt de belofte:
Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. En dit zei Hij over de Geest, Die zij die in Hem geloven, ontvangen zouden; want de Heilige Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.
Ik wil hier eerlijk over zijn: geleerden zijn al eeuwen verdeeld over waar precies de punt in vers 38 valt. De gangbare lezing, die ook de Herziene Statenvertaling en de meeste Nederlandse vertalingen volgen, is dat de stromen uit het binnenste van de gelovige vloeien. Dat is de lezing die ik hier volg. Maar er is ook een oude en serieus te nemen lezing die de zin anders knipt: "wie in Mij gelooft, drinke. Zoals de Schrift zegt: stromen van levend water zullen uit Zijn binnenste vloeien." Dan slaat "Zijn" op Christus zelf. Beide lezingen wijzen uiteindelijk naar dezelfde Bron; het verschil is of de gelovige zelf een doorgeefstation van die Bron wordt, of dat het beeld bij Christus blijft. Ik kies voor het eerste, omdat vers 39 zo nadrukkelijk zegt dat dit gaat over de Geest die de gelovigen zouden ontvangen.
Ook "zoals de Schrift zegt" is geen letterlijk citaat van één tekst. Er is geen Bijbelvers dat woordelijk zegt: stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Jezus vat hier een profetische lijn samen die door heel het Oude Testament loopt: water dat leven brengt op dor land. Jesaja belooft: "Want Ik zal water gieten op het dorstige en stromen op het droge" (Jesaja 44:3). Ezechiël ziet een rivier die uit de tempel stroomt en alles wat zij aanraakt tot leven wekt (Ezechiël 47). En Zacharia profeteert over de dag waarop "er levend water vanuit Jeruzalem zal stromen" (Zacharia 14:8), en dat in de context van precies dit feest. Een paar verzen verder zegt hij dat alle volken naar Jeruzalem zullen komen om het Loofhuttenfeest te vieren (Zacharia 14:16). Jezus zegt eigenlijk: alles waar dit feest en al die profeten al eeuwen naar uitzien, gebeurt nu. In Mij.
De prijs van het water
Maar er is nog iets dat je licht kunt missen als je alleen bij vers 37 blijft staan. Johannes zegt uitdrukkelijk: de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was (vers 39). Verheerlijking is in het evangelie van Johannes een ander woord voor het kruis en de opstanding. Het water dat Jezus hier aanbiedt, is voor ons gratis, maar het is niet zonder prijs. Hij moet er eerst voor betalen.
En Hij roept dit terwijl de spanning in Jeruzalem al gevaarlijk hoog is opgelopen. Een paar verzen eerder hebben de leiders al geprobeerd Hem te grijpen (verzen 30 en 32). Hij weet dat Zijn dood in aantocht is. Toch is dit niet het moment waarop Hij Zich stilhoudt uit zelfbehoud. Het is het moment waarop Hij het hardst roept.
Dat maakt de uitnodiging zwaarder dan een simpel "kom zoals je bent". Het is meer als de oude uitnodiging van Jesaja:
O, alle dorstigen, kom tot de wateren, en u die geen geld hebt, kom, koop en eet, ja, kom, koop zonder geld, zonder prijs, wijn en melk.
Zonder prijs voor ons. Niet zonder prijs voor Hem.
Dat verandert iets aan de manier waarop we die uitnodiging horen. Het is niet vrijblijvend. Het kost Jezus alles om jou voor niets te kunnen laten drinken.
Verdeeldheid, en één man die traag onderweg is
Nog steeds geen eenstemmigheid
Je zou verwachten dat na zo'n moment de knoop doorgehakt wordt. Maar Johannes schrijft: "Er ontstond dan verdeeldheid onder de menigte vanwege Hem" (vers 43).
Sommigen zeggen: "Híj is werkelijk de Profeet" (vers 40). Anderen: "Híj is de Christus" (vers 41). En weer anderen wuiven het weg: de Christus komt toch niet uit Galilea? (vers 41).
Het probleem is niet dat Jezus onduidelijk spreekt. Het probleem is dat mensen Hem blijven beoordelen vanuit hun eigen kaders, precies zoals in het tweede deel van dit hoofdstuk. We willen graag een Jezus die in onze verwachtingen past, die onze mening bevestigt, die aan onze kant staat. Maar Jezus is niet gekomen om in een systeem te passen. Hij is gekomen om Heer te zijn. En dat vraagt iets van ons dat verder gaat dan een mening: het vraagt vertrouwen, ook wanneer Zijn timing ons ontgaat, ook wanneer anderen om ons heen iets anders vinden.
Nicodemus, traag maar onderweg
Aan het einde van het hoofdstuk duikt dan een bekend gezicht weer op. Nicodemus, de man uit Johannes 3, die 's nachts naar Jezus kwam, vol vragen, zonder ze allemaal beantwoord te krijgen. Nu zit hij tussen de Farizeeën, die Jezus willen laten arresteren zonder verhoor. En Nicodemus zegt:
Veroordeelt soms onze wet de mens, als zij hem niet eerst hoort en kennis genomen heeft van wat hij doet?
Het is geen belijdenis. Nicodemus roept niet midden op het plein dat Jezus de Christus is. Maar er is iets veranderd. De man die vier hoofdstukken geleden in het donker naar Jezus toe kwam, spreekt nu, voorzichtig maar hoorbaar, in Zijn voordeel.
We zien hem nog één keer, in Johannes 19. Jezus is gestorven. En Nicodemus komt, samen met Jozef van Arimathea, met een enorme hoeveelheid mirre en aloë om het lichaam te verzorgen (19:39). Johannes noemt Jozef daar nog steeds een discipel van Jezus, "maar in het geheim, uit vrees voor de Joden" (19:38). Zelfs op dit late moment kost het deze mannen nog moeite om hun geloof in Jezus volledig te laten zien. En toch: ze zijn er. Ze doen wat niemand anders durft te doen voor een gekruisigde.
Van voorzichtig kijken in het donker, naar voorzichtig spreken tussen de Farizeeën, naar dienstbaar aanwezig zijn bij het kruis, met alle aarzeling die er nog inzit. Zo werkt genade vaak: niet in een sprong, maar in een langzame beweging, die van buiten soms nauwelijks te zien is.
Paulus schrijft over dat soort geduld van God:
Ik vertrouw erop dat Hij Die in u een goed werk begonnen is, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus.
Misschien herken je iets van Nicodemus in jezelf. Je verwacht van jezelf dat je sneller zou moeten groeien, duidelijker zou moeten kiezen, hardop zou moeten kunnen zeggen wat je diep vanbinnen al gelooft. En het gaat traag. God lijkt daar geduldiger in te zijn dan wij zelf zijn. Wat Hij in Nicodemus begon in het donker van de nacht, bracht Hij bij het kruis aan het licht.
Kom en drink
Dus wat doen we met dit hoofdstuk? Iedereen praat, iedereen oordeelt, iedereen probeert Jezus te plaatsen binnen wat hij al dacht te weten. En midden in die drukte staat Jezus op, op het hoogtepunt van het feest van de vreugde en het water, en roept boven alle stemmen uit: "Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken."
Niet: als iemand zijn leven op orde heeft. Niet: als iemand genoeg weet, genoeg gedaan heeft, genoeg zeker is. Alleen: als iemand dorst heeft. Dat is de enige voorwaarde, en het is er meteen ook een die iedereen kan vervullen.
Misschien herken je jezelf meer in de menigte die discussieert dan in iemand die drinkt. Misschien herken je jezelf in Nicodemus: nog niet klaar om het hardop te zeggen, maar wel onderweg. Beide zijn plekken waar Jezus je vindt. Niet om je eerst te veroordelen om je aarzeling, maar om te zeggen: kom, ook zo, en drink. De Bron staat er, op het feest van de vreugde, en roept nog steeds.
Slotgebed
Vader, dank U voor dit woord uit Johannes 7. Dank U dat Uw Zoon Zich niet liet opjagen door onze klok, maar leefde vanuit de Uwe. Dank U dat Hij, op het hoogtepunt van het feest, is opgestaan en heeft geroepen, niet omdat het veilig was, maar omdat Hij ons wilde bereiken.
Leer ons niet te oordelen naar wat voor ogen is, over U niet en over elkaar niet. Geef ons genade die eerlijk is, en waarheid die niet hard wordt.
En als wij, net als de menigte, blijven discussiëren zonder te drinken, of net als Nicodemus nog traag onderweg zijn: kom naar ons toe. Wij hebben dorst. Wij komen naar U. Laat Uw Geest in ons stromen, niet omdat wij het verdiend hebben, maar omdat U de Bron bent, en de Bron nooit leeg raakt.
In de naam van Jezus. Amen.
