Wat betekent ‘ga heen en zondig niet meer’?
Kort antwoord
Met ‘ga heen en zondig niet meer’ besluit Jezus Zijn ontmoeting met de overspelige vrouw in Johannes 8. Daarvoor zegt Hij: ‘Ook Ik veroordeel u niet.’ De volgorde is de boodschap: eerst genade, dan waarheid. Jezus spreekt haar vrij zonder voorwaarden vooraf, en nodigt haar daarna uit tot een nieuw leven. Het is geen dreigement, maar een deur die opengaat.
In dit artikel
Wat vind jij?
Herken je dit, heb je een vraag of zie je het anders? Je reactie is welkom.
Plaats een reactieStel je voor: het is zondagochtend en je zit in de kerk. Het is rustig. Iemand leest voor, achterin hoest iemand. En dan vliegt de deur open. Een groep mannen dringt luidruchtig naar binnen en duwt een vrouw naar voren. Ze zetten haar neer, vlak voor de spreker. Iedereen kijkt naar haar.
Zo ongeveer moet het die ochtend in de tempel in Jeruzalem zijn gegaan. Jezus zat op het tempelplein en gaf onderwijs aan een grote groep mensen. En toen werd er een vrouw voor Hem neergezet die op overspel was betrapt.
Het is een van de bekendste verhalen uit de Bijbel, en het eindigt met een zin die veel mensen kennen: ga heen en zondig niet meer. Maar wat bedoelt Jezus daarmee? Wie het verhaal langzaam leest, ontdekt iets verrassends. De enige op dat plein die het recht had om een steen te werpen, deed het niet.
Het verhaal in Johannes 8
En ieder ging naar zijn huis.
Jezus echter ging naar de Olijfberg. En 's morgens vroeg kwam Hij opnieuw in de tempel en al het volk kwam naar Hem toe; en Hij ging zitten en onderwees hen. En de schriftgeleerden en de Farizeeën brachten een vrouw bij Hem die op overspel betrapt was. En toen ze haar in het midden hadden doen staan, zeiden zij tegen Hem: Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt bij het plegen van overspel. In de wet nu heeft Mozes ons geboden zulke vrouwen te stenigen; U dan, wat zegt U? En dit zeiden zij om Hem te verzoeken, opdat zij iets hadden om Hem aan te klagen. Maar Jezus bukte en schreef met de vinger in de aarde. En toen zij Hem dit bleven vragen, richtte Hij Zich op en zei tegen hen: Wie van u zonder zonde is, laat die als eerste de steen op haar werpen. En opnieuw bukte Hij en schreef in de aarde. Maar toen zij dit hoorden en in hun geweten overtuigd waren, gingen zij weg, de één na de ander, te beginnen bij de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alleen achtergelaten, en de vrouw die in het midden stond. Jezus nu richtte Zich op en toen Hij niemand zag dan de vrouw, zei Hij tegen haar: Vrouw, waar zijn die aanklagers van u? Heeft niemand u veroordeeld? En zij zei: Niemand, Heere. En Jezus zei tegen haar: Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer.
Een eerlijke kanttekening: dit verhaal staat niet in de oudste handschriften van het Johannesevangelie. Waarom het toch in je Bijbel staat, en waarom ik het met vertrouwen lees, leg ik uit in Hoort het verhaal van de overspelige vrouw wel in de Bijbel?.
Een vrouw als bewijsstuk
Let eens op wat er met haar gebeurt. Ze krijgt geen naam. Niemand vraagt haar iets. Het gesprek gaat tussen de schriftgeleerden en Jezus, en zij staat ertussen als bewijsstuk. Ze is niet uit zichzelf naar Jezus gekomen. Ze is gebracht.
Op heterdaad betrapt, zegt de tekst. Hoe dat precies ging, vertelt de Bijbel niet. Ik stel me voor dat niemand haar de tijd gaf om zich netjes aan te kleden. In die cultuur was iemand oneervol en ontbloot over straat voeren een manier om haar te beschamen. Dat lees ik er zelf in; de tekst zegt het niet letterlijk. Maar de schaamte van dat moment kun je bijna voelen.
En dan valt er nog iets op. De mannen beroepen zich op de wet van Mozes. Die wet zegt in Leviticus:
Een man die met de vrouw van iemand anders overspel pleegt, die met de vrouw van zijn naaste overspel pleegt, moet zeker gedood worden, de overspeler en de overspeelster.
De overspeler én de overspeelster. Maar waar is de man? Hij staat er niet. Het ging hun niet echt om de wet.
Een val, en zij is het aas
Johannes zegt het eerlijk: ze zeiden dit om Jezus te verzoeken. Laat Jezus haar gaan, dan neemt Hij de wet van Mozes niet serieus. Zegt Hij dat ze gestenigd moet worden, dan is Zijn boodschap van genade niets meer waard.
Mogelijk zat er nog een laag onder. Israël stond onder Romeins gezag en mocht waarschijnlijk zelf geen doodvonnis voltrekken; Johannes 18:31 wijst daarop. Een ja van Jezus had Hem dan ook bij de Romeinen in de problemen gebracht. Zeker weten doen we dat niet.
Ik heb zelf een rattenval in mijn kas staan, met aas erin. Tot nu toe zonder resultaat, eerlijk gezegd. Maar hier is de val voor Jezus bedoeld, en een mens is het aas.
Voordat we met de vinger wijzen
Het is verleidelijk om nu met een beschuldigende vinger naar de farizeeën te wijzen. Wat waren die mannen fout bezig.
Maar als ik eerlijk ben: hoe vaak zet ik zelf iemand in het midden? In een ruzie, in een onenigheid in de kerk, aan de keukentafel thuis. Kijk eens wat die gedaan heeft. Vaak om mijn eigen gelijk te halen, soms zonder dat ik het doorheb. Je hoeft geen farizeeër te zijn om stenen vast te houden.
Jezus bukt
Iedereen wacht op een antwoord. En Jezus zegt niets. Hij bukt en schrijft met Zijn vinger in de aarde.
Wat schreef Hij? Daar zijn talloze preken over gehouden. Sommigen denken aan Jeremia:
HEERE, Hoop van Israël, allen die U verlaten, zullen beschaamd worden. Wie zich van mij afkeren, zullen in de aarde worden geschreven, want zij hebben de bron van het levende water, de HEERE, verlaten.
Anderen denken dat Jezus de zonden van de aanklagers opschreef. Weer anderen zien een verwijzing naar de vinger van God die de wet schreef. Het zijn mooie gedachten, maar we weten het niet. Het staat op het lijstje vragen dat ik Jezus ooit wil stellen: Heer, wat schreef U eigenlijk in de grond?
Wat de tekst wél zegt, vind ik sterker. De mannen staan rechtop met hun stenen. De vrouw staat in het midden, alle ogen op haar gericht. En Jezus gaat lager dan iedereen. Daarmee trekt Hij de blikken naar Zichzelf, weg van haar. Misschien zie je daar iets van het hart van de Vader. Hij kijkt niet naar haar schaamte, maar kijkt uit respect weg.
Wie van u zonder zonde is
De mannen blijven aandringen. Dan richt Jezus Zich op en spreekt die ene zin: wie van u zonder zonde is, laat die als eerste de steen op haar werpen.
Hij schuift de wet niet opzij. Hij neemt haar juist serieuzer dan de aanklagers. De wet bepaalde namelijk wie de eerste steen moest werpen:
Eerst moet de hand van de getuigen zich tegen hem keren om hem te doden, daarna de hand van heel het volk. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.
Jullie zijn de getuigen, zegt Jezus eigenlijk. Dan begint het bij jullie. Hij legt de wet terug in hun schoot. En dan bukt Hij opnieuw en schrijft verder. Hij gaat er niet uitdagend met Zijn armen over elkaar naast staan. Hij laat ze alleen met hun eigen geweten.
Eén voor één lopen ze weg, te beginnen bij de oudsten. Waarom juist zij eerst? Ik weet het niet zeker. Ik vermoed dat je, naarmate je ouder wordt, beter weet wat er allemaal op je eigen kerfstok staat. Wie het langst geleefd heeft, kent zichzelf meestal het best.
Er bleven er twee over
Kerkvader Augustinus vatte dit moment samen in één korte Latijnse zin: relicti sunt duo, misera et misericordia. Er bleven er twee over: de ellende en de barmhartigheid.
Een vrouw vol zonde, en een Man zonder zonde. Later in hetzelfde hoofdstuk vraagt Jezus aan Zijn tegenstanders: wie van u overtuigt Mij van zonde? Niemand kan het. Dat betekent dat Hij de enige op dat plein was die volgens de wet een steen had mogen werpen, Hij die de wet zelf gegeven had. En Hij is ook de enige die het niet doet.
Vrouw
Pas nu, voor het eerst in het hele verhaal, wordt ze aangesproken. "Vrouw."
In onze oren klinkt dat afstandelijk, misschien zelfs kil. Maar in het Grieks is het een respectvolle aanspreekvorm. Jezus gebruikt hetzelfde woord voor Zijn eigen moeder, op de bruiloft in Kana (Johannes 2:4) en aan het kruis (Johannes 19:26).
De vrouw die als bewijsstuk werd binnengesleept, wordt aangesproken als persoon. Met eer. Ze is geen ding meer.
Eerst genade, dan waarheid
"Niemand, Heere," zegt ze. En dan komt de zin waar het hele verhaal om draait: ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer.
De volgorde is belangrijk. Eerst: Ik veroordeel u niet. Dat is genade. Dan: ga heen en zondig niet meer. Dat is waarheid. Jezus zegt niet: breng eerst je leven op orde, trek wat fatsoenlijks aan, en dan zal Ik je niet veroordelen. Hij vraagt niets vooraf.
Bij Stichting Bij het VUUR verstaan wij onder genade: de onverdiende liefde van God die een mens vrijzet en herstelt, voordat die mens iets heeft rechtgezet.
Maar die tweede zin hoort er net zo goed bij. Zonde maakt wel uit. Zonde maakt veel kapot, in onszelf en in anderen. Jezus is de enige in dit verhaal die de toekomst van deze vrouw serieus neemt. "Zondig niet meer" is geen dreigement dat boven haar hoofd blijft hangen, zo van: nu nog niet, maar wee je gebeente. Ik lees het anders. Het is een deur die openzwaait. Je bent geen gevangene meer.
Wie zich afvraagt hoe God naar zijn eigen fouten kijkt, vindt daar meer over in Is God boos op mij?.
Van slaaf naar kind
Verderop in Johannes 8 legt Jezus zelf uit wat die vrijheid inhoudt:
Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen, en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken. Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit slaaf van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden? Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde. En de slaaf blijft niet eeuwig in het huis; de zoon blijft er eeuwig. Als dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn.
Toen ik dit las, moest ik eerlijk gezegd gniffelen. Nooit slaaf van iemand geweest? En Egypte dan? En Babel? En terwijl ze het zeggen, lopen er Romeinse soldaten over het tempelplein. Maar Jezus heeft het over een andere slavernij: die van de zonde.
In die tijd hadden veel huishoudens slaven. Een slaaf hoorde er niet echt bij. Had je geld nodig, of beviel hij niet, dan verkocht je hem. Zoals wij een oude koffiemachine op Marktplaats zetten wanneer er een betere uitkomt. Vandaag is hij er, morgen niet meer. Een zoon of dochter is anders. Die hoort bij het huis en gaat nooit meer weg.
Dat is precies wat die vrouw overkwam. Ze werd behandeld als een ding, als een slaaf. Jezus noemt haar "vrouw" en geeft haar haar identiteit terug. De aanklagers liepen ook weg, maar anders. Zij namen hun gevangenis mee: hun eigen gelijk, hun schijn, hun behoefte om beter te zijn dan een ander. Je kunt heel vroom zijn en toch niet vrij.
De stenen komen bij Hem terecht
Het gesprek in de tempel wordt steeds feller, tot Jezus aan het eind van het hoofdstuk iets zegt wat de vlam in de pan doet slaan:
Jezus zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór Abraham geboren was, ben Ik. Zij namen dan stenen op om ze op Hem te werpen. Maar Jezus verborg Zich en ging de tempel uit; Hij ging midden tussen hen door en zo ging Hij weg.
In het Grieks staat voor Abraham een werkwoord dat "ontstaan" betekent: Abraham is er op een bepaald moment gekomen. Over Zichzelf zegt Jezus egō eimi, "Ik ben". De Joden op dat plein hoorden daarin de naam die God bij de brandende braamstruik aan Mozes gaf (Exodus 3:14). Daarom grijpen ze naar stenen.
Kijk wat er gebeurt in dit hoofdstuk. Aan het begin wordt er over stenen gepraat, maar nergens lees je dat iemand er een vasthoudt. Aan het eind worden ze echt opgeraapt. En ze zijn niet voor haar bedoeld. Ze zijn voor Hem.
Deze keer verbergt Jezus Zich, want Zijn uur is nog niet gekomen. Maar Hij had al gezegd waar het heen zou gaan:
Wanneer u de Zoon des mensen verhoogd zult hebben, zult u inzien dat Ik het ben
Verhogen is in het Johannesevangelie een woord met twee bodems. Het betekent eren, en het wijst naar het kruis
De enige die het recht had om de steen te werpen, heeft hem niet gegooid. Hij heeft hem ontvangen.
Wie de stenen vasthoudt
Ergens in Jeruzalem loopt die vrouw naar huis. We weten niet hoe het verder met haar ging. We lezen maar twee woorden van haar: "Niemand, Heere." Maar er lag geen steen meer op haar te wachten.
Misschien herken je jezelf in haar. Er staan mensen om je heen met stenen in hun hand, of het voelt zo. Misschien herken je jezelf eerder in de mannen. Je draagt een zakje stenen bij je, voor die ene collega of dat ene gemeentelid, voor als je de kans krijgt. We zijn mensen.
En misschien ben je je eigen aanklager geworden. Er is iets wat je ooit gedaan hebt. Niemand heeft het je verweten, maar jij jezelf wel, elke dag opnieuw. De steen ligt in je eigen hand.
Voor ieder van ons klinken dezelfde woorden: ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer. Niet als een last die er nog bij komt, maar als een deur die opengaat. Je bent geen slaaf in dit huis. Je bent een kind, en je mag blijven.

Reacties
Nog geen reacties. Wat raakte jou in dit artikel?
Dank je wel! Je reactie is ontvangen en verschijnt na goedkeuring.
Je reactie kon niet worden verstuurd. Vul je naam en reactie in en vink de toestemming aan.