Preek
Wie de stenen vasthoudt…
Waar gaat deze preek over?
Een vrouw wordt als bewijsstuk voor Jezus neergezet, de stenen liggen klaar. Jezus bukt, zwijgt en zegt: ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer. Aan het eind van het hoofdstuk worden de stenen echt opgeraapt, niet voor haar, maar voor Hem.
In deze preek
Eerst een eerlijke kanttekening
Ik ben deze serie over het evangelie van Johannes begonnen met een claim: Johannes schreef zijn evangelie terugblikkend, als een van de laatste boeken van de Bijbel, met een duidelijk doel. Aan het eind zegt hij het zelf: deze dingen zijn opgeschreven opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God.
Juist daarom moet ik bij Johannes 8 iets eerlijk benoemen. In de Herziene Statenvertaling staat bij het begin van dit hoofdstuk een voetnoot: de verzen 2 tot en met 11 komen niet in alle Griekse handschriften voor. Het gaat om het verhaal van de overspelige vrouw. De oudste grote handschriften van Johannes hebben het niet. Het oudste Griekse handschrift waarin het wel staat, de Codex Bezae uit de vijfde eeuw, heeft het al op deze plek. Kerkvaders als Ambrosius, Hiëronymus en Augustinus kenden het als deel van Johannes, en Hiëronymus nam het op in de Vulgaat, de Latijnse Bijbel. Latere handschriften zetten het soms ergens anders neer, een groep middeleeuwse handschriften zelfs in Lucas.
Ik noem het weleens een tekstuele zwerfkei: een verhaal dat rondrolde, dat christenen zo belangrijk vonden dat ze het wilden bewaren, en dat uiteindelijk hier een vaste plek kreeg. Ik kan dus niet zeggen dat Johannes het hier heeft neergezet. Maar ik ga het wel zo behandelen, want het past bijna naadloos tussen wat ervoor en erna staat.
Een rustige ochtend die openbreekt
En ieder ging naar zijn huis.
Jezus echter ging naar de Olijfberg. En 's morgens vroeg kwam Hij opnieuw in de tempel en al het volk kwam naar Hem toe; en Hij ging zitten en onderwees hen. En de schriftgeleerden en de Farizeeën brachten een vrouw bij Hem die op overspel betrapt was. En toen ze haar in het midden hadden doen staan, zeiden zij tegen Hem: Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt bij het plegen van overspel. In de wet nu heeft Mozes ons geboden zulke vrouwen te stenigen; U dan, wat zegt U? En dit zeiden zij om Hem te verzoeken, opdat zij iets hadden om Hem aan te klagen.
Jezus heeft de nacht op de Olijfberg doorgebracht, waarschijnlijk om te bidden, om te luisteren naar Zijn Vader. 's Morgens vroeg zit Hij op het tempelplein en geeft les aan een grote groep mensen.
Probeer je dat eens voor te stellen. We zitten hier rustig met elkaar in de kerk, en ineens vliegt de deur open. Een groep mannen komt luidruchtig binnen en zet hier vooraan iemand neer. Een vrouw die niet uit zichzelf is gekomen, maar gebracht.
Een vrouw als bewijsstuk
Ze is op heterdaad betrapt. Hoe dat precies ging, zegt de Bijbel niet. Kreeg ze de tijd om zich aan te kleden, of werd ze zo de straat op gesleurd? Ik stel me voor dat het het laatste was. In die cultuur was iemand ontbloot en oneervol over straat voeren een manier om haar te beschamen. Dat is mijn eigen invulling; de tekst zegt het niet. Maar de schaamte van dat moment kun je bijna voelen.
En let op wat er met haar gebeurt. Ze krijgt geen naam. Niemand vraagt haar iets. Het gesprek gaat tussen de schriftgeleerden en Jezus, en zij staat ertussen als bewijsstuk. Geen mens meer, eerder een ding.
Wat me ook opviel: ze beroepen zich op de wet van Mozes. Maar die wet zegt dat de overspeler én de overspeelster gedood moeten worden. Waar is de man? Die staat er niet. Het ging hun niet echt om de wet.
Een val, en zij is het aas
Johannes zegt het eerlijk: ze zeiden dit om Hem te verzoeken. Het is een val, en de vrouw is het aas. Ik heb zelf rattenvallen in mijn kas staan, met aas erin. Tot nu toe zonder succes. Maar hier is de val voor Jezus bedoeld.
Het dilemma is duidelijk. Zegt Jezus: laat haar gaan, dan neemt Hij de wet van Mozes niet serieus. Zegt Hij: stenig haar, dan is Zijn boodschap van genade niets meer waard. En misschien zat er nog een laag onder. Israël stond onder Romeins gezag en mocht waarschijnlijk zelf geen doodvonnis voltrekken. Een ja had Hem dan ook bij de Romeinen in de problemen gebracht. Zeker weten doen we dat niet.
Voordat we wijzen
Het is heel verleidelijk om nu met een beschuldigende vinger naar die farizeeën te wijzen. Maar als we eerlijk zijn: hoe vaak zetten wij zelf iemand in het midden? In een ruzie, in een onenigheid in de kerk, aan de keukentafel thuis. Kijk eens wat die gedaan heeft. Soms om ons eigen gelijk te halen, soms zonder dat we het doorhebben. Je hoeft geen farizeeër te zijn om stenen vast te houden.
Jezus bukt
Maar Jezus bukte en schreef met de vinger in de aarde.
Iedereen wacht op een antwoord. En Jezus zegt niets. Hij bukt en schrijft in de aarde.
Wat schreef Hij? Daar zijn talloze preken over gehouden. Sommigen denken aan Jeremia 17:13, waar staat dat wie zich van de HEERE afkeren in de aarde geschreven worden. Anderen denken dat Hij de zonden van de aanklagers opschreef, of zien de vinger van God die ooit de wet schreef. Mooie gedachten, maar we weten het niet. Het staat in mijn geestelijke ladekastje met vragen die ik Jezus ooit wil stellen: Heer, wat schreef U eigenlijk in de grond?
Wat de tekst wél zegt, vind ik sterker. De mannen staan rechtop met hun stenen. De vrouw staat in het midden, alle ogen op haar. En Jezus gaat lager dan iedereen. Daarmee trekt Hij de blikken naar Zichzelf, weg van haar. Misschien zie je daar iets van de liefde van de Vader: Hij kijkt niet naar haar schaamte, maar kijkt uit respect weg.
Wie van u zonder zonde is
En toen zij Hem dit bleven vragen, richtte Hij Zich op en zei tegen hen: Wie van u zonder zonde is, laat die als eerste de steen op haar werpen. En opnieuw bukte Hij en schreef in de aarde. Maar toen zij dit hoorden en in hun geweten overtuigd waren, gingen zij weg, de één na de ander, te beginnen bij de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alleen achtergelaten, en de vrouw die in het midden stond.
Jezus schuift de wet niet opzij. Hij neemt haar juist serieuzer dan de aanklagers. De wet bepaalde dat de getuigen als eersten de steen moesten werpen. Jullie zijn de getuigen, zegt Jezus eigenlijk, dan begint het bij jullie. En dan bukt Hij weer. Hij gaat er niet uitdagend naast staan. Hij laat ze alleen met hun eigen geweten.
Eén voor één lopen ze weg, te beginnen bij de oudsten. Waarom juist zij eerst? Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed dat je, naarmate je ouder wordt, beter weet wat er op je eigen kerfstok staat. Wie het langst geleefd heeft, kent zichzelf meestal het best.
Er bleven er twee over
Augustinus vatte dit moment samen in één korte Latijnse zin: relicti sunt duo, misera et misericordia. Er bleven er twee over: de ellende en de barmhartigheid.
Een vrouw vol zonde, en een Man zonder zonde. Later in dit hoofdstuk vraagt Jezus zijn tegenstanders: wie van u overtuigt Mij van zonde? Niemand kan het. Hij was de enige op dat plein die volgens de wet een steen had mogen werpen, Hij die de wet zelf gegeven had. En Hij is ook de enige die het niet doet.
Vrouw
Jezus nu richtte Zich op en toen Hij niemand zag dan de vrouw, zei Hij tegen haar: Vrouw, waar zijn die aanklagers van u? Heeft niemand u veroordeeld? En zij zei: Niemand, Heere. En Jezus zei tegen haar: Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer.
Voor het eerst in het hele verhaal wordt ze aangesproken. "Vrouw." In onze oren klinkt dat kil. Maar in het Grieks is het een respectvolle aanspreekvorm. Jezus gebruikt hetzelfde woord voor Zijn moeder Maria, op de bruiloft in Kana en aan het kruis. De vrouw die als bewijsstuk werd binnengesleept, wordt aangesproken als persoon. Met eer.
En dan de zin waar alles om draait. De volgorde is belangrijk. Eerst: Ik veroordeel u niet. Dat is genade. Dan: ga heen en zondig niet meer. Dat is waarheid. Jezus zegt niet: breng eerst je leven op orde, dan veroordeel Ik je niet. Hij vraagt niets vooraf.
Maar die tweede zin hoort erbij. Zonde maakt wel uit; zonde maakt veel kapot. Jezus is de enige in dit verhaal die haar toekomst serieus neemt. Zondig niet meer is geen dreigement dat boven haar hoofd blijft hangen. Ik lees het anders: als een deur die openzwaait. Je bent geen gevangene meer.
U oordeelt naar het vlees
De vrouw gaat naar huis, maar het hoofdstuk gaat verder. Jezus blijft in de tempel en het gesprek met de religieuze leiders gaat door. Alleen staat er nu geen vrouw meer in het midden, maar Hij zelf.
U oordeelt naar het vlees, Ik oordeel niemand.
Dat klinkt als een echo van wat we net zagen. Zij oordelen, Hij niet. Ik kan me goed voorstellen dat de kerk het verhaal van de vrouw juist daarom hier heeft neergelegd.
Even verderop zegt Jezus iets wat al vooruitwijst:
Wanneer u de Zoon des mensen verhoogd zult hebben, zult u inzien dat Ik het ben, en dat Ik vanuit Mijzelf niets doe, maar dat Ik die dingen spreek zoals Mijn Vader Mij heeft onderwezen.
Verhogen is bij Johannes een woord met twee bodems. Het betekent eren, en het wijst naar het kruis.
Van slaaf naar kind
Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen, en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken. Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit slaaf van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden? Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde. En de slaaf blijft niet eeuwig in het huis; de zoon blijft er eeuwig. Als dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn.
Toen ik dit las, moest ik eerlijk gezegd gniffelen. Nooit slaaf van iemand geweest? En Egypte dan? En Babel? En terwijl ze het zeggen, staan er Romeinse soldaten mee te kijken. Maar Jezus heeft het over een andere slavernij: die van de zonde.
In die tijd hadden veel huishoudens slaven. Een slaaf hoorde er niet echt bij. Had je geld nodig, of beviel hij niet, dan verkocht je hem. Zoals wij een oude koffiemachine op Marktplaats zetten wanneer er een betere uitkomt. Vandaag is hij er, morgen niet meer. Een zoon of dochter is anders. Die hoort bij het huis en gaat nooit meer weg.
Zo ging het ook met de vrouw. Ze werd behandeld als een ding, als een slaaf. Jezus noemt haar vrouw en geeft haar haar identiteit terug. De mannen liepen ook weg, maar anders: zij namen hun gevangenis mee. Hun eigen gelijk, hun schijn, hun behoefte om beter te zijn dan een ander. Je kunt heel vroom zijn en toch niet vrij.
De stenen komen bij Hem terecht
Het gesprek wordt feller en feller, tot de climax:
Jezus zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór Abraham geboren was, ben Ik. Zij namen dan stenen op om ze op Hem te werpen. Maar Jezus verborg Zich en ging de tempel uit; Hij ging midden tussen hen door en zo ging Hij weg.
In het Grieks staat voor Abraham een werkwoord dat "ontstaan" betekent: Abraham is er op een bepaald moment gekomen. Over Zichzelf zegt Jezus egō eimi: Ik ben. De Joden op dat plein hoorden daarin de naam die God bij de brandende braamstruik aan Mozes gaf. Daarom grijpen ze naar stenen.
Kijk wat er gebeurt in dit hoofdstuk. Aan het begin wordt er over stenen gepraat, maar nergens lees je dat iemand er echt een vasthoudt. Aan het eind worden ze opgeraapt. En ze zijn niet voor haar bedoeld, maar voor Hem.
Deze keer verbergt Jezus Zich; Zijn uur is nog niet gekomen. Hij wordt niet gestenigd, maar verhoogd, precies zoals Hij zei, aan een kruis buiten de stad. Dat is de lijn van het evangelie van Johannes. De enige die het recht had om de steen te werpen, heeft hem niet gegooid. Hij heeft hem ontvangen.
Wie de stenen vasthoudt
Ergens in Jeruzalem loopt die vrouw naar huis. We weten niet hoe het verder met haar ging. We lezen maar twee woorden van haar: "Niemand, Heere." Maar er lag geen steen meer op haar te wachten.
Misschien voel je je vandaag als die vrouw, en staan er mensen om je heen met stenen in hun hand. Of misschien draag je zelf een zakje stenen bij je, voor die ene collega of dat ene gemeentelid, voor als je de kans krijgt. We zijn mensen.
En misschien ben je je eigen aanklager geworden. Er is iets wat je ooit gedaan hebt. Niemand verwijt het je meer, maar jij jezelf wel, elke dag opnieuw. De steen ligt in je eigen hand.
Dan bid ik dat de stem van de Heer in je binnenste mag spreken: Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer. Niet als een last die er nog bij komt, maar als een deur die opengaat. Genade en waarheid horen bij elkaar. Jezus heeft de zonde en de dood overwonnen; Hij heeft het gedragen. Je bent geen slaaf meer in dit huis. Je bent een kind, en je mag blijven.
