Bijbelstudie

De koninklijke bruiloft: Mattheüs 22 in zijn context

In het kort

De gelijkenis van de koninklijke bruiloft (Mattheüs 22:1-14) gaat over Gods uitnodiging, die eerst wordt afgewezen door de religieuze leiders en daarna naar iedereen op straat gaat. De verbrande stad wijst waarschijnlijk vooruit naar de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. De man zonder bruiloftskleed laat zien dat genade niet alleen binnenroept, maar ook vernieuwt.

In deze studie
  1. Waar deze studie over gaat
  2. De laatste week in Jeruzalem
  3. Drie gelijkenissen die bij elkaar horen
  4. De koning geeft een feest
  5. De stad in brand
  6. De uitnodiging gaat de straat op
  7. Het bruiloftskleed
  8. "Vriend" en een gesloten mond
  9. Buitenste duisternis
  10. Velen geroepen, weinigen uitverkoren
  11. Wat er na de gelijkenis gebeurt
  12. De waarschuwing wordt breder: Mattheüs 25
  13. Genade die binnenroept en vernieuwt
  14. Wat sterk staat en wat open blijft
  15. De kern

Waar deze studie over gaat

De gelijkenis van de koninklijke bruiloft eindigt met een zin die veel mensen kennen en weinig mensen kunnen plaatsen: "Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren." Die zin wordt vaak gebruikt in gesprekken over uitverkiezing: wie wordt uiteindelijk behouden en wie niet? Maar wie de gelijkenis leest in de hoofdstukken waar zij staat, ontdekt dat Jezus een groter verhaal vertelt. Het gaat over de komst van Gods Koninkrijk, over religieuze leiders die de Zoon afwijzen, over een stad die in vlammen opgaat, en over een uitnodiging die doorgaat naar mensen die niemand verwachtte. En het gaat over een gast die wel binnenkwam, maar niet paste bij het feest.

De centrale gedachte die deze studie toetst, is deze. Mattheüs 21 tot 25 beschrijft de crisis die ontstaat wanneer Gods Koninkrijk in Jezus zichtbaar wordt en de verantwoordelijke leiders Hem verwerpen. De verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 is een belangrijke historische vervulling van Jezus' waarschuwingen. Tegelijk verbreedt Jezus Zijn waarschuwing tot iedereen die Zijn uitnodiging ontvangt: het Koninkrijk is genade, maar die genade vraagt om een werkelijk antwoord en brengt vrucht voort.

Bij elke grotere uitleg maak ik onderscheid tussen wat de tekst rechtstreeks zegt, wat een redelijke conclusie is, en wat een theologische synthese is die verder gaat dan de tekst zelf. Waar uitleggers serieus verschillen, zeg ik dat.

De laatste week in Jeruzalem

De gelijkenis wordt verteld in de laatste dagen voor de kruisiging. Mattheüs bouwt die dagen op als een reeks confrontaties in en rond de tempel.

Het begint met de intocht (Mattheüs 21:1-11). Jezus rijdt Jeruzalem binnen op een ezel, en Mattheüs ziet daarin de vervulling van Zacharia 9:9: de Koning komt zachtmoedig. Het is geen militaire machtsgreep, maar wel een koninklijk statement. De vraag die de stad stelt, "Wie is Deze?", hangt boven alles wat volgt.

Dan gaat Jezus de tempel in en drijft de kopers en verkopers eruit (Mattheüs 21:12-13). Hij citeert Jesaja, dat Gods huis een huis van gebed zal heten, en Jeremia, die de tempel van zijn dagen een rovershol noemde. Dat tweede citaat is veelzeggend. In Jeremia 7 waarschuwt de profeet mensen die op de tempel vertrouwen terwijl ze onrecht doen, en hij kondigt aan dat God met dit huis zal doen wat Hij met Silo deed. Jezus' ingrijpen is daarom meer dan een protest tegen handel. Het is een profetisch teken van oordeel. Waarom Jezus de tempel reinigde, wordt ook uitgewerkt in het artikel waarom reinigde Jezus de tempel?

De volgende ochtend vervloekt Jezus een vijgenboom die bladeren heeft maar geen vruchten (Mattheüs 21:18-22). Ook dat is een gelijkenis in daden. Bladeren beloven vrucht; deze boom beloofde iets wat hij niet gaf. Bij de profeten is de vijgenboom een bekend beeld voor Israël (Jeremia 8:13; Micha 7:1). Het thema dat hier begint, vrucht, zal door alle volgende hoofdstukken heen lopen.

Daarna komen de overpriesters en de oudsten met de vraag waar het allemaal om draait: met welk gezag doet U deze dingen? (Mattheüs 21:23). Jezus beantwoordt die vraag met een tegenvraag over Johannes de Doper, en vervolgens met drie gelijkenissen achter elkaar.

Drie gelijkenissen die bij elkaar horen

De twee zonen, de pachters van de wijngaard en de koninklijke bruiloft vormen samen één reeks (Mattheüs 21:28–22:14). Ze zijn gericht tot dezelfde toehoorders en gaan over dezelfde vraag: hoe reageren mensen op wat God doet?

In de eerste gelijkenis zegt de ene zoon ja en gaat niet, de andere zegt nee en gaat later toch. Jezus trekt de conclusie hardop: de tollenaars en de hoeren gaan de leiders voor in het Koninkrijk van God, omdat zij Johannes geloofden en de leiders niet (Mattheüs 21:31-32). Het gaat niet om de juiste woorden, maar om een werkelijk antwoord.

In de tweede gelijkenis verhuurt een landeigenaar zijn wijngaard aan pachters. Wanneer hij zijn dienaren stuurt om de vruchten op te halen, worden die geslagen en gedood. Ten slotte stuurt hij zijn zoon, en ook die wordt gedood. Het beeld van de wijngaard komt uit Jesaja 5, waar Israël Gods wijngaard is. Jezus besluit de gelijkenis met een zin die de lijn van de hele reeks samenvat:

Daarom zeg Ik u dat het Koninkrijk van God van u weggenomen zal worden en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan voortbrengt.

Mattheüs 21:43 (HSV © Stichting HSV)

Wie is "u"? Mattheüs zegt het direct daarna: de overpriesters en de Farizeeën begrepen dat Hij over hen sprak (Mattheüs 21:45). Dat is een belangrijk gegeven. De gelijkenis gaat niet over Israël als volk tegenover de kerk als ander volk, maar over leiders die Gods wijngaard beheerden en de Zoon afwezen. Het "volk dat de vruchten voortbrengt" is geen nieuwe etnische groep, maar een gemeenschap die werkelijk antwoordt op God, en die bestaat in Mattheüs vanaf het begin uit Joden en later ook uit mensen uit de volken.

De derde gelijkenis, de bruiloft, gaat nog een stap verder. De pachters weigerden te geven wat ze schuldig waren. De genodigden weigeren te ontvangen wat ze gratis kregen.

De koning geeft een feest

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zeker koning die voor zijn zoon een bruiloft bereid had, en hij stuurde zijn dienaren eropuit om de genodigden voor de bruiloft te roepen. Maar zij wilden niet komen.

Mattheüs 22:2-3 (HSV © Stichting HSV)

Een bruiloftsmaal is in de Bijbel een rijk beeld. Jesaja spreekt over een maaltijd die de HEERE voor alle volken aanricht op Zijn berg, waar Hij de dood voorgoed zal verslinden (Jesaja 25:6-8). De profeten beschrijven God als de Bruidegom van Zijn volk (Jesaja 62:5; Hosea 2). Wanneer Jezus over het Koninkrijk spreekt als een bruiloft voor de zoon van de koning, kunnen Zijn toehoorders dat moeilijk anders verstaan dan als een messiaans feest. En Jezus heeft Zichzelf eerder al de bruidegom genoemd (Mattheüs 9:15).

Opvallend is dat de genodigden twee keer worden geroepen. Eerst gaat de uitnodiging uit, daarna stuurt de koning andere dienaren met de boodschap dat alles klaar is: de ossen en het mestvee zijn geslacht, kom naar de bruiloft. Dat sluit aan bij een bekend gebruik waarbij gasten eerst werden uitgenodigd en, wanneer de maaltijd klaar was, nog eens werden opgehaald. In Ester 6:14 komen de hovelingen Haman halen voor de maaltijd die Ester had bereid, en in Jezus' gelijkenis van de grote maaltijd stuurt de gastheer zijn dienaar "op het uur van de maaltijd" om te zeggen dat alles gereed is (Lukas 14:17). Wie de tweede roep negeert, had dus al ja gezegd en komt toch niet.

De reacties zijn verschillend en allebei pijnlijk. Sommigen slaan er geen acht op en gaan weg, de één naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. Het zijn geen slechte dingen, maar ze krijgen voorrang op de koning. Anderen grijpen de dienaren, behandelen hen smadelijk en doden hen. Dat sluit direct aan bij de vorige gelijkenis, waar de boodschappers van de landeigenaar hetzelfde overkwam, en bij Jezus' latere klacht dat Jeruzalem de profeten doodt die tot haar gezonden zijn (Mattheüs 23:37).

De stad in brand

Toen de koning dat hoorde, werd hij boos. En hij stuurde zijn legers, bracht die moordenaars om en stak hun stad in brand.

Mattheüs 22:7 (HSV © Stichting HSV)

Dit vers is een vreemde eend in het verhaal. Een koning die midden in de voorbereiding van een bruiloft een oorlog voert, terwijl het eten klaarstaat, is als verhaal niet erg geloofwaardig. Juist daardoor valt het op. Het vers lijkt bewust door het verhaal heen te breken en naar iets buiten het verhaal te wijzen. In de parallelle gelijkenis in Lukas 14 ontbreekt het helemaal.

De meeste uitleggers zien hier een verwijzing naar de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70. Daar zijn goede redenen voor. In dezelfde week kondigt Jezus aan dat het bloed van de profeten over "dit geslacht" zal komen (Mattheüs 23:35-36), dat het huis van Jeruzalem verlaten zal worden (Mattheüs 23:38), en dat er van de tempel geen steen op de andere zal blijven (Mattheüs 24:2). De Romeinse legers belegerden de stad in 70, en de stad en de tempel gingen in vlammen op. De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus beschrijft dat uitvoerig in De Joodse Oorlog, al moet hij kritisch gelezen worden omdat hij schreef in dienst van Rome.

Twee kanttekeningen zijn hier nodig. De eerste is dat "een stad in brand steken" in het Oude Testament ook een vaste uitdrukking is voor een strafexpeditie (bijvoorbeeld Richteren 1:8). Het vers bewijst dus op zichzelf niet dat Jezus precies het jaar 70 in gedachten had. Het past er wel heel goed bij, zeker in de context van hoofdstuk 23 en 24. De tweede kanttekening is belangrijker. Dat de Romeinen het leger zijn, maakt Rome niet tot Gods uitvoerder van een gerechtvaardigd bloedbad. De Bijbel spreekt vaker zo over geschiedenis: Nebukadnezar werd in Jeremia de "dienaar" van God genoemd en werd later zelf geoordeeld. De gelijkenis duidt de gebeurtenissen theologisch, als de ernstige gevolgen van het afwijzen van de Zoon. Ze zegt niet dat ieder slachtoffer in Jeruzalem persoonlijk schuldig was. Jezus huilde over die stad (Lukas 19:41).

Hoe Mattheüs 24 met de verwoesting van Jeruzalem samenhangt, en welke uitleggingen daarover bestaan, staat uitgewerkt in het artikel gaat Mattheüs 24 over de verwoesting van Jeruzalem?

De uitnodiging gaat de straat op

Toen zei hij tegen zijn dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de genodigden waren het niet waard. Ga daarom naar de kruispunten van de landwegen en nodig er voor de bruiloft zovelen uit als u er maar zult vinden. En die dienaren gingen naar de wegen, verzamelden allen die zij vonden, zowel slechte als goede mensen; en de bruiloftszaal werd gevuld met gasten.

Mattheüs 22:8-10 (HSV © Stichting HSV)

Hier gebeurt het wonder van de gelijkenis. Het feest gaat gewoon door. De koning blijft vasthouden aan zijn bedoeling: zijn zoon zal een volle zaal hebben. De uitnodiging gaat naar de kruispunten, de plekken waar de wegen de stad uitlopen en waar iedereen langskomt.

Binnen het evangelie van Mattheüs denk je dan aan de tollenaars en hoeren die de leiders voorgingen, aan zieken en buitenstaanders die Jezus opzocht, en na Pasen aan de opdracht om alle volken tot discipelen te maken (Mattheüs 28:19). De "kruispunten" wijzen voorbij de grenzen van Israël, zonder dat Israël daarmee buitengesloten wordt. De eerste leerlingen, die de uitnodiging wel aannamen, waren zelf Joden.

Let op de woorden "zowel slechte als goede mensen". De dienaren selecteren niet. Wie binnenkomt, komt binnen omdat hij is uitgenodigd, niet omdat hij beter is dan anderen. Mattheüs laat vaker zien dat goed en kwaad in wat God verzamelt tot het einde naast elkaar bestaan, zoals het onkruid tussen de tarwe en het net met goede en slechte vissen (Mattheüs 13:24-30, 47-50). Het oordeel daarover is niet aan de dienaren, maar aan de Koning.

Het bruiloftskleed

Dan volgt de wending die de gelijkenis zo moeilijk maakt. De koning komt binnen om de gasten te zien en ziet iemand die geen bruiloftskleding draagt. Hij spreekt hem aan met "Vriend", vraagt hoe hij zo is binnengekomen, en de man zwijgt. Daarna wordt hij gebonden en naar buiten geworpen.

Hoe kan een koning die net iedereen van de straat liet halen, één gast zo hard behandelen? De spanning is bedoeld. De gelijkenis heeft twee kanten die je niet tegen elkaar mag uitspelen: de uitnodiging is voor iedereen, en de uitnodiging vraagt om een antwoord dat bij het feest past.

Wat het kleed voorstelt, zegt Jezus niet. Er zijn vier serieuze uitleggingen.

De eerste ziet in het kleed de gerechtigheid van Christus, die God aan de gelovige geeft. Jesaja spreekt over bekleed worden met de klederen van het heil (Jesaja 61:10), en Paulus over Christus aandoen (Galaten 3:27; Romeinen 13:14). Dat is theologisch rijk, maar Mattheüs zelf gebruikt die taal niet.

De tweede ziet in het kleed de vrucht van een vernieuwd leven. Dat sluit aan bij de lijn van de hele reeks: de zoon die wel ging, het volk dat de vruchten voortbrengt, en eerder al het woord dat niet ieder die "Heere, Heere" zegt het Koninkrijk binnengaat, maar wie de wil van de Vader doet (Mattheüs 7:21). Het risico van deze uitleg is dat het kleed een prestatie wordt.

De derde leest het kleed sociaal: wie in zijn gewone kleren op de bruiloft van de koningszoon verschijnt, toont geen eerbied voor de koning en zijn feest. Een verwant beeld staat bij de profeet Sefanja, waar de dag van de HEERE wordt vergeleken met een offermaaltijd en God de mensen opzoekt die zich in vreemde kleding hullen (Sefanja 1:7-8). Dat bewijst niets over Mattheüs 22, maar laat zien dat kleding bij een heilige maaltijd in de Bijbel een betekenis kon hebben.

De vierde ziet in de man iemand die wel bij de gemeenschap lijkt te horen maar het niet is, een schijnleerling. Dat past bij het verhaal, maar zegt nog niet wat het kleed zelf is.

Een veelgehoorde preekillustratie zegt dat de koning iedere gast een kleed gaf, zodat de man een aangeboden kleed moet hebben geweigerd. Daar is te weinig basis voor. Mattheüs zegt het niet, en een vast gebruik waarbij koningen al hun bruiloftsgasten kleedden, is historisch niet aangetoond. Het is beter om dat niet als feit te brengen.

Binnen Mattheüs 21 tot 25 weegt de tweede uitleg het zwaarst, want de hele reeks draait om de vraag of mensen werkelijk antwoorden op God of alleen een religieuze positie innemen. Maar de eerste uitleg hoeft daarmee niet weg. Het vernieuwde leven is in het Nieuwe Testament geen eigen prestatie, maar de vrucht van wat God geeft. Openbaring 19:7-8 laat beide kanten in één beeld zien: aan de bruid van het Lam wordt gegeven zich te kleden in fijn linnen, en dat linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen. Het kleed wordt ontvangen, en het gaat over hoe zij leeft. Dat is geen uitleg van Mattheüs 22, waar het om een gast gaat en niet om de bruid, maar het laat zien hoe de Bijbel genade en levensverandering bij elkaar houdt.

Mijn samenvatting, die ik uitdrukkelijk als theologische synthese presenteer en niet als definitie die Mattheüs zelf geeft: het bruiloftskleed verbeeldt de werkelijkheid van iemand die de uitnodiging echt heeft aangenomen. Het Nieuwe Testament beschrijft die werkelijkheid als verbondenheid met Christus, een gerechtigheid die je ontvangt, en een leven dat daardoor wordt vernieuwd. De vier uitleggingen zijn uitgebreider naast elkaar gelegd in het artikel wat betekent het bruiloftskleed in Mattheüs 22?

"Vriend" en een gesloten mond

De koning begint niet met een aanklacht, maar met een aanspreking: "Vriend". Het Griekse woord hetairos gebruikt Mattheüs als aanspreking drie keer, en steeds tegen iemand die in de fout gaat: tegen de arbeider die mort over het loon van anderen (Mattheüs 20:13), tegen deze gast, en tegen Judas in Gethsemane (Mattheüs 26:50). Het is geen woord van warme vriendschap en ook geen scheldwoord. Het laat ruimte, en tegelijk legt het de vinger op de plek.

De man krijgt een vraag en daarmee de kans om iets te zeggen. Hij zwijgt. Het Griekse werkwoord phimoō betekent "muilkorven", de mond gesnoerd worden. Mattheüs gebruikt het een paar verzen later opnieuw, wanneer Jezus de Sadduceeën de mond heeft gesnoerd (Mattheüs 22:34). Het zwijgen van de gast zegt dat hij geen verweer heeft. Er was geen reden waarom hij zo moest komen. Dat maakt het oordeel niet willekeurig: de man staat niet tegenover een koning die onredelijke eisen stelt, maar tegenover een koning die een eerlijke vraag stelt waarop hij geen antwoord heeft.

Buitenste duisternis

Toen zei de koning tegen de dienaars: Bind hem aan handen en voeten, neem hem mee en werp hem uit in de buitenste duisternis; daar zal gejammer zijn en tandengeknars. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Mattheüs 22:13-14 (HSV © Stichting HSV)

De beelden zijn scherp gekozen. Binnen is licht, muziek en feest. Buiten is het donker. De "buitenste duisternis" komt in het Nieuwe Testament alleen bij Mattheüs voor, drie keer (Mattheüs 8:12; 22:13; 25:30), en telkens gaat het om mensen die dachten erbij te horen. In Mattheüs 8:12 zijn het "de kinderen van het Koninkrijk", terwijl velen uit oost en west met Abraham, Izak en Jakob aanliggen. "Gejammer en tandengeknars" gebruikt Mattheüs zes keer, als vaste uitdrukking voor de wanhoop en het verzet van wie buiten het Koninkrijk staat.

Hoe die beelden zich verhouden tot wat er na de dood gebeurt, en of oordeel bij God uiteindelijk ook gericht kan zijn op herstel, is een vraag die verder reikt dan deze gelijkenis. Ze wordt besproken in hoe zit het met de hel? Wat in deze tekst in elk geval vaststaat: Jezus neemt het serieus wanneer iemand de uitnodiging van God afwijst of er een lege vorm van maakt. Een lezing die dit slot wegpoetst, doet de gelijkenis tekort. Een overtuigende theologie van genade moet zulke teksten kunnen verklaren, niet omzeilen.

Velen geroepen, weinigen uitverkoren

De slotzin begint met "want". Hij vat samen wat in het verhaal is gebeurd. "Geroepen" (klētoi) is verwant aan het werkwoord dat in de gelijkenis steeds terugkomt: de koning laat de genodigden roepen, en later iedereen op de wegen. Geroepen betekent hier: uitgenodigd. Die uitnodiging ging naar velen, en het verhaal legt alle nadruk op hoe breed en hoe volhardend de koning uitnodigt.

"Uitverkoren" (eklektoi) zijn in deze gelijkenis niet de mensen van een geheime lijst, maar wie overblijft nadat twee groepen het feest hebben gemist: de eerste genodigden die weigerden, en de gast die binnenkwam maar niet paste bij het feest. De zin gaat dus over het verschil tussen uitgenodigd zijn en werkelijk deelnemen. Over een vooraf vastgesteld aantal geredden zegt hij niets. Dat betekent niet dat Gods initiatief er niet toe doet. Het is de koning die het feest bereidt, de koning die uitnodigt, en de koning die na afwijzing blijft uitnodigen. Niemand nodigt zichzelf uit.

Voor wie bang is niet bij de weinigen te horen, is het goed te zien hoe het verhaal begint: met een koning die wil dat zijn zaal vol komt. Elders zegt Paulus dat God wil dat alle mensen behouden worden (1 Timotheüs 2:4), en Petrus dat de Heere geduldig is en niet wil dat sommigen verloren gaan (2 Petrus 3:9). De zin is geen bron van angst, maar een eerlijke waarschuwing. Een uitwerking voor lezers die alleen met deze vraag komen, staat in wat betekent 'velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren'?

Wat er na de gelijkenis gebeurt

Na de bruiloft volgen drie strikvragen: over de belasting aan de keizer, over de opstanding en over het grootste gebod (Mattheüs 22:15-40). Telkens proberen de leiders Jezus te vangen, en telkens laat Hij zien dat zij de kern missen. Het grootste gebod, God liefhebben en de naaste als jezelf, is precies wat ontbrak bij leiders die nauwkeurig tienden gaven maar het recht, de barmhartigheid en de trouw verwaarloosden (Mattheüs 23:23).

Hoofdstuk 23 is Jezus' aanklacht tegen de schriftgeleerden en Farizeeën. Het eindigt niet met triomf, maar met verdriet. Jezus zegt hoe vaak Hij de kinderen van Jeruzalem had willen verzamelen zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels, en dat zij niet gewild hebben (Mattheüs 23:37). Dat is hetzelfde patroon als in de bruiloft: een koning die uitnodigt, en mensen die weigeren. Het oordeel komt uit het hart van iemand die huilt.

Daarna verlaat Jezus de tempel en kondigt Hij de verwoesting ervan aan (Mattheüs 24:1-2). De rede op de Olijfberg die volgt, gaat voor een belangrijk deel over wat er binnen "dit geslacht" zou gebeuren, en kijkt volgens veel uitleggers ook verder vooruit naar de wederkomst. Opmerkelijk is dat het voorhangsel van de tempel al scheurt op het moment dat Jezus sterft (Mattheüs 27:51), veertig jaar voordat het gebouw valt. De weg naar God is dan al geopend in Christus. Daarover gaat wat betekent het scheuren van het voorhangsel?

De waarschuwing wordt breder: Mattheüs 25

Als de verwoesting van Jeruzalem het hele verhaal was, zou je kunnen denken dat deze hoofdstukken alleen over de eerste eeuw gaan. Maar Mattheüs 25 maakt dat onmogelijk. Jezus vertelt over tien meisjes die op de bruidegom wachten, waarvan vijf geen olie bij zich hebben. Over dienaren die talenten krijgen en er verschillend mee omgaan. En over de Mensenzoon die alle volken voor zich verzamelt en de schapen van de bokken scheidt, op grond van wat zij deden voor de minsten van Zijn broeders.

Die verhalen hebben iets gemeen met de man zonder bruiloftskleed. Telkens gaat het om mensen die erbij lijken te horen: de meisjes zijn uitgenodigd, de dienaren hebben een opdracht, de volken staan voor de Koning. En telkens blijkt het verschil in wat er werkelijk met de uitnodiging, de gave of de opdracht is gedaan. De waarschuwing die begon bij de leiders van Jeruzalem, wordt hier gericht tot iedereen die op de Koning wacht.

Genade die binnenroept en vernieuwt

Hoe houd je dit allemaal bij elkaar zonder in een van twee valkuilen te vallen? De eerste valkuil is dat je de gelijkenis leest als: zorg dat je goed genoeg bent om binnen te mogen. Dat is in strijd met het verhaal zelf, waarin slechte en goede mensen van de straat worden gehaald. De tweede valkuil is: omdat je bent uitgenodigd, maakt het niet meer uit hoe je leeft. Dat is in strijd met het slot van het verhaal.

Het Oude Testament wijst al de weg tussen die twee door. God beloofde via Ezechiël niet alleen nieuwe geboden, maar een nieuw hart en een nieuwe geest, en Zijn eigen Geest in Zijn volk, zodat zij in Zijn wegen zouden gaan (Ezechiël 36:26-27). Jeremia sprak over een nieuw verbond waarin God Zijn wet in het hart van mensen schrijft (Jeremia 31:31-34). Bij het laatste avondmaal, een paar dagen na deze gelijkenis, neemt Jezus de beker en spreekt over Zijn bloed van het nieuwe verbond (Mattheüs 26:28). Het feest waarvoor de koning uitnodigt, wordt mogelijk gemaakt door de Zoon voor wie het feest bedoeld is.

Paulus vat het later samen in zijn brief aan Titus: de genade van God is verschenen, die behoudenis brengt voor alle mensen, en die ons opvoedt om anders te leven (Titus 2:11-12). Genade is dus meer dan vrijspraak. Ze is ook een vormende kracht. Dat verklaart het bruiloftskleed niet rechtstreeks, maar het is de bredere werkelijkheid waarbinnen het beeld te verstaan is. Hoe die vernieuwing groeit, staat in hoe draag je vrucht als christen? en is genade een vrijbrief om niets te doen?

Eén misverstand moet hier uitdrukkelijk worden afgewezen. Deze hoofdstukken zeggen niet dat God het Joodse volk heeft verworpen en de kerk ervoor in de plaats heeft gezet. De aanklacht richt zich op leiders die de Zoon afwezen, Jezus huilt over de stad die Hij liefheeft, en Paulus schrijft uitdrukkelijk dat God Zijn volk niet heeft verstoten (Romeinen 11:1-2). Gods trouw aan Abraham blijft staan. De kerk heeft geen reden om zich boven Israël te verheffen. Ze is zelf van de straat geroepen.

Wat sterk staat en wat open blijft

Na deze studie zijn niet alle conclusies even stevig. Het is goed dat eerlijk te onderscheiden.

Sterk onderbouwd:

  • Mattheüs 21:28–22:14 is een samenhangende reeks van drie gelijkenissen over de reactie op Jezus en de verantwoordelijkheid van de leiders.
  • De confrontatie richt zich in de eerste plaats op de religieuze leiders, niet op het Joodse volk als geheel (Mattheüs 21:45).
  • Het thema van vrucht en werkelijk antwoord is de rode draad door Mattheüs 21 tot 25.
  • Mattheüs 22:7 past binnen Jezus' aankondiging van het oordeel over Jeruzalem. Een verbinding met de verwoesting in het jaar 70 is historisch en literair zeer aannemelijk.

Waarschijnlijk, maar niet expliciet:

  • Het bruiloftskleed staat voor een leven dat werkelijk antwoordt op Gods uitnodiging, met nadruk op gerechtigheid en vrucht.

Verdedigbaar, maar omstreden:

  • Mattheüs 24:29-31 beschrijft in de eerste plaats de hemelse rechtvaardiging van Jezus, zichtbaar geworden in het oordeel over Jeruzalem, en niet (alleen) Zijn wederkomst.

Onvoldoende onderbouwd:

  • Dat de koning iedere gast een kleed gaf, dat de ene man weigerde.
  • Dat de man zonder kleed alleen staat voor wie omkwam bij de verwoesting van Jeruzalem.
  • Dat alle oordeelsuitspraken in Mattheüs 21 tot 25 volledig en uitsluitend in het jaar 70 zijn vervuld.

De kern

God heeft Zijn Koninkrijk niet gebouwd op de religieuze prestaties van mensen, maar op Zijn trouw, zichtbaar geworden in Jezus Christus. Hij bleef uitnodigen, ook toen Zijn boodschappers en uiteindelijk Zijn Zoon werden afgewezen. De verwoesting van Jeruzalem laat zien hoe ernstig die afwijzing was. Maar de uitnodiging hield daar niet op. Ze ging de straat op, naar mensen van allerlei achtergronden.

Het probleem van de eerste genodigden was niet dat de uitnodiging te klein was, maar dat zij de Koning die hen uitnodigde niet wilden erkennen. Het probleem van de man zonder bruiloftskleed was niet dat hij nooit was uitgenodigd, maar dat zijn aanwezigheid niet overeenkwam met de werkelijkheid van het feest. De waarschuwing is dus niet "zorg dat je goed genoeg bent", en ook niet "het maakt niet uit hoe je leeft". De boodschap is: de genade die je binnenroept, is dezelfde genade die je leven vernieuwt.

Bronnen

  • The Gospel of Matthew (NICNT), R.T. France
  • Matthew 21–28 (Hermeneia), Ulrich Luz
  • Matthew's Trilogy of Parables: The Nation, the Nations and the Reader in Matthew 21.28–22.14, Wesley G. Olmstead
  • De Joodse Oorlog, boek 5–6, Flavius Josephus

Bijbelstudies