Preek

Hij sloeg Zijn tent op

Waar gaat deze preek over?

Het begin van een serie door het evangelie van Johannes. Johannes kijkt terug en begint vóór het begin: het Woord was er al. Dat Woord sloeg Zijn tent op tussen ons, vol van genade en waarheid, en geeft genade op genade, zonder stempelkaart.

In deze preek
  1. Johannes kijkt terug
  2. Een licht dat niet gedoofd kan worden
  3. Niet uit prestatie, maar geboren
  4. Hij sloeg Zijn tent op
  5. Genade en waarheid, hand in hand
  6. Niemand heeft ooit God gezien
  7. Hij was er al voordat jij je eerste vraag stelde

In de voorbereiding op deze dienst kreeg ik het op mijn hart om een serie te doen. Sommige predikanten doen dat vaker, maar ik had het nog niet gedaan. Ik was al een tijdje weer aan het lezen in het evangelie van Johannes, en het greep me opnieuw. Misschien grijpt het me wel omdat John eigenlijk een afgeleide is van Johannes. We hebben dus een connectie.

Het evangelie van Johannes is anders dan de andere drie, en daar wil ik vanochtend even bij stilstaan. Dat ga ik niet elke keer doen, maar ik denk dat het mooi is om het één keer goed neer te zetten, want er valt ontzettend veel te leren uit dit evangelie. Vandaag begin ik met Johannes 1, tot en met vers 18.

In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alle dingen zijn door het Woord gemaakt, en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is. In het Woord was het leven en het leven was het licht van de mensen. En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen. Er was een mens door God gezonden; zijn naam was Johannes. Hij kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. Hij was het licht niet, maar was gezonden om van het licht te getuigen. Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht. Hij was in de wereld en de wereld is door Hem ontstaan en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; die niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn. En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader) vol van genade en waarheid. Johannes getuigt van Hem en heeft geroepen: Híj was het van Wie ik zei: Deze Die na mij komt, is vóór mij geworden, want Hij was er eerder dan ik. En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel genade op genade. Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. — Johannes 1:1-18 (HSV © Stichting HSV)

Johannes kijkt terug

Gisteren waren we op een feest van een oom en tante van mijn vrouw. Ze waren vijftig jaar getrouwd, en we werden uitgenodigd helemaal in het noorden van het land. Je ziet dan weer neven en nichten die je al een tijd niet had gezien, je zit aan tafel, en dan komen de verhalen. Zeker bij een vijftigjarig huwelijk. Er waren speeches, en een van de oudste dochters had een speech voorbereid waarin ze terugkeek op vijftig jaar huwelijk: alle vakanties, alle grappige dingen die papa en mama hadden gedaan. Iedereen moest er hard om lachen.

Het was dus een dag vol verhalen. Maar het is de familie van mijn vrouw, en bij heel veel van die verhalen zat ik erbij en dacht ik: ik weet het niet. Ze hadden het over het huis van opa en oma, met een vijvertje voor het huis met eendjes erin. Ik ben er nog nooit geweest, dus ik heb geen eend gezien. Je zit eigenlijk een beetje aan de zijkant van een verhaal mee te luisteren. Soms kwamen er dingen voorbij waar ik wel bij was geweest, ik zit inmiddels al 22 jaar in de familie, maar er waren genoeg verhalen waar ik gewoon niets van wist.

Wat me opviel, was dat een verhaal door de ene persoon werd verteld en dat degene die ernaast zat zei: heb ik dat echt gezegd? Terugkijkend, op zo'n moment, komen er dingen naar boven die je toen niet zag. Dat vond ik kenmerkend, en omdat ik met de voorbereiding van deze preek bezig was, dacht ik: dat kan ik gebruiken. Want dat is precies wat Johannes doet met zijn verhaal. Johannes kijkt terug.

Ik hoop dat we er de komende maanden, want het zijn best wat hoofdstukken, verder doorheen gaan. Ik weet niet hoe lang het duurt, en misschien zegt God tussendoor: Ik wil nu even iets anders. Dat laten we helemaal aan Hem. Maar ik heb wel het voornemen om er verder doorheen te gaan.

Heb je dat weleens, dat je een film kijkt of een boek leest en aan het eind komt er een plotwending, en je denkt: die persoon wist al de hele tijd wat er aan de hand was? Als je dat boek dan opnieuw leest of die film opnieuw kijkt, kom je ineens dingen tegen die je eerder niet had gezien. Je kent de uitkomst al, en daardoor zie je van alles wat je de eerste keer miste. Dat is volgens mij een beetje de kern van het evangelie van Johannes. Hij schrijft het anders.

Mattheüs, Markus en Lucas hebben veel verhalen die overlappen. Die lees je in Mattheüs, die lees je in Markus, die lees je in Lucas. En dan pak je Johannes en denk je: was Johannes er niet bij, heeft hij dat niet meegemaakt? Natuurlijk wel, Johannes liep overal bij. Maar hij kiest ervoor om andere verhalen op te schrijven. De meeste van zijn verhalen staan niet in Mattheüs, Markus en Lucas. Het lijkt wel een heel nieuw verhaal.

Hoe komt dat? Johannes is veel later geschreven. Het is waarschijnlijk een van de laatste boeken van de Bijbel zoals we die nu kennen, geschreven aan het eind van de eerste eeuw, waarschijnlijk rond het jaar 90. Johannes is dan al heel oud, en ik denk dat hij terugkijkt op zijn leven met Jezus en dan begint te schrijven. De andere drie hebben ieder een eigen doelgroep voor ogen, maar zij beschrijven het leven van Jezus alsof ze er met een notitieblok naast hebben gelopen en alles hebben opgeschreven wat ze zagen en beleefden. Johannes niet. Die kijkt terug.

Mattheüs begint bijvoorbeeld met de stamboom. Die vindt dat heel belangrijk, want Jezus is een afstammeling van David. Markus begint midden in de actie: Johannes de Doper in de woestijn, geen inleiding, helemaal niets, je zit er gelijk middenin. Lucas begint met de volkstelling, in de tijd van Herodes. Die is heel nauwkeurig met allerlei data, die wil echt zeker weten wat er wanneer gebeurd is. En Johannes denkt: ik ga het anders doen. Ik denk dat de Heilige Geest ook hem daarin geïnspireerd heeft.

Ik stel me voor dat Johannes ergens in een grot of in een huis zat en dacht: ik ga iets schrijven, maar waar moet ik beginnen? En dat God zei: begin maar eens bij het begin. Dus Johannes begint letterlijk bij het begin. Als je de Bijbel weleens gelezen hebt, hoor je dat meteen: "in het begin", of in het oude Nederlands "in den beginne". Daar begint de Bijbel ook mee.

Johannes heeft Jezus niet zien opgroeien, maar hij heeft de verhalen gehoord, en op een gegeven moment is hij in Jezus' leven gestapt en met Hem meegelopen. Hij was bij de kruisiging, bij de opstanding, bij de hemelvaart. Hij heeft het helemaal meegemaakt. En op het moment dat hij schrijft, ziet hij een verheven Jezus. Niet een Jezus die nog op aarde wandelt, maar de opgevaren Zoon van God. Hij denkt na over alles wat Jezus heeft gezegd, en hij komt tot de conclusie: Jezus was er al. Want Jezus is God.

Een licht dat niet gedoofd kan worden

Daarom begint hij in het begin. En hij gaat zelfs nog een stap verder terug dan "In het begin schiep God de hemel en de aarde". Hij noemt Hem nog niet Jezus. Hij zegt: in het begin was het Woord. Het Woord was er al.

In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. — Genesis 1:1-3 (HSV © Stichting HSV)

Het eerste wat God in Genesis zegt, is: laat er licht zijn. Maar het Woord, het licht van de wereld, was er al voordat die eerste woorden werden gesproken. Verderop, in vers 18, spreekt Johannes over Jezus Christus als het vleesgeworden Woord. Dus Jezus was er al. En ik denk dat Johannes dat met opzet doet. Er zitten een aantal haakjes in die teruggaan naar het begin, naar Genesis, naar Exodus, naar de momenten waarop God komt en spreekt. Jezus was er niet pas vanaf Johannes de Doper, of vanaf een volkstelling waarbij Hij in Bethlehem geboren werd. Johannes zegt: Hij was er al. Nog voordat jij bestond.

Dan staat er in vers 5 iets bijzonders: het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen. In Genesis lees je ook dat de aarde woest en leeg was, dat de Geest van God boven het water zweefde en dat het duister was. Maar het licht was er al, en toen God zei "laat er licht zijn", kwam het licht ook in de wereld.

Het Griekse woord dat hier met "begrepen" is vertaald, katalambanō, heeft een dubbele betekenis. Aan de ene kant betekent het grijpen, vastpakken, overweldigen: de duisternis heeft geprobeerd het licht vast te pakken en te overwinnen. We hebben er vanochtend ook over gezongen: Jezus overwon. De duisternis, de duivel, dacht: als ik Hem maar in het graf krijg, dan heb ik gewonnen. Maar de duisternis snapt het niet, en dat is de tweede betekenis: begrijpen, de inhoud en de betekenis kunnen vastpakken.

Als je in een donkere kamer zit en het licht aandoet, gaat de duisternis weg. Het licht overwint de duisternis. Ik heb nog nooit meegemaakt dat er een lamp aangaat, de duisternis komt binnen en doet de lamp uit. Het is een wetmatigheid die God erin gelegd heeft: het licht overwint.

Ik had het niet opgeschreven, maar het schiet me nu te binnen: kijk hoe God de eerste dag beschrijft. "Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag." Voor God eindigt de dag bij de morgen, niet bij de nacht. Bij ons begint de dag ergens midden in de nacht, om twaalf uur, en eindigt hij weer in de nacht. Maar in Gods schepping is het eerst avond en dan morgen. Het licht heeft het laatste woord, ook in de schepping. Elke dag opnieuw: het was avond en het was morgen, de tweede dag, de derde dag, de vierde dag.

Soms kan het leven aanvoelen als duisternis. Dan kun je denken: blijf ik hier wel in zitten, kom ik hier ooit uit? Maar de duisternis heeft nooit het laatste woord. Niet in de natuur, en ook niet bij God. Ook in de tijd van Johannes was er duisternis, in de laatste jaren van zijn leven. De vervolging van de christenen was volop aan de gang. Het was voor veel mensen een tijd van angst, een gevaar dat je niet zag aankomen en waarvan je niet wist waar het vandaan kwam. Mensen waren bang, en met goede redenen. Juist tegen die achtergrond zegt Johannes: er is een licht gekomen dat dwars door de duisternis heen breekt. Dat de duisternis verdrijft. Een licht dat niet gedoofd kan worden. Niet door het Romeinse Rijk, niet door de vervolging, niet door de religieuze leiders, niet door het kruis of door de dood zelf. Want Jezus stond op. Jezus, het licht, het vleesgeworden Woord.

En dat was echt. Voordat wij bestonden, voordat we ook maar nadachten over God, voordat we voor het eerst een kerk binnenliepen: Hij was er al. Nog voordat we geboren werden. Het hele begin van Johannes zit vol met verwijzingen die Johannes ons probeert in te prenten. Hij is er altijd al geweest.

Dan komt er ineens, als uit het niets, een stukje over Johannes de Doper. We hebben dus Johannes de discipel, de apostel die het schrijft, en Johannes de Doper. Twee Johannessen in één boek, dat kan weleens verwarrend zijn. "Er was een mens door God gezonden; zijn naam was Johannes. Hij kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen." Licht met een hoofdletter, zou je kunnen zeggen. "Hij was het licht niet, maar was gezonden om van het licht te getuigen."

Een opvallend tussenzinnetje. Waarom voegt Johannes dat er ineens tussen? Niet omdat hij denkt: die heet ook Johannes, ik geef hem even een extra podium in al dat mooie spektakel van Jezus, laat hem maar even de show stelen. Nee, het staat er doelbewust. Ik denk dat we naar Johannes de Doper mogen kijken als een voorbeeld van hoe wij in het verhaal mogen staan. Hij was het licht niet, maar hij wees naar het licht. Het licht met een hoofdletter, Jezus, dát is het licht. Johannes is gekomen om de mensen te laten zien en te wijzen op Jezus als het licht.

Ik denk dat onze plek daar ook is. Jezus zegt: "Ik ben het Licht der wereld" (Johannes 8:12), en Hij zegt ook tegen Zijn leerlingen: "U bent het licht van de wereld" (Mattheüs 5:14). Maar in die context is het meer zo: Hij is de zon en wij zijn de maan. Wij mogen in de nacht Zijn licht weerkaatsen. De maan heeft uit zichzelf geen licht, maar de maan geeft wel licht. Hij reflecteert het licht van de zon. Jezus is het licht met een hoofdletter, en wij zijn het licht met een kleine letter. Hooguit ergens tussen een kleine en een grote in, maar Hij is echt het licht.

Dat is onze plek, en dat vind ik mooi, want wij hoeven niet het licht te zijn. Hij is het licht, en wij mogen wijzen.

Niet uit prestatie, maar geboren

Dan gebeurt er iets wat ik eigenlijk verdrietig vind, in de verzen 10 en 11. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem ontstaan. De Schepper van de wereld stapt in het vlees, in de wereld die Hij geschapen heeft. Hij komt, laten we zeggen, thuis. En de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot de Zijnen, Zijn volk, de Joden van die tijd, en ze hebben Hem niet aangenomen.

Stel je voor dat ik gisteravond op dat feest was gekomen en dat ze hadden gezegd: leuk dat je al 22 jaar in onze familie bent, maar je hoort hier niet thuis, ga maar weer terug. Zo ongeveer is het hier. Jezus kwam naar de wereld, Hij heeft die wereld gemaakt, alles is door Zijn handen gegaan, en de wereld zegt: jij hoort hier niet thuis. Je hoort er niet bij. Dat is een dieptepunt.

Maar Johannes pakt het meteen weer op, want hij kent het hele verhaal: allen die Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden. Niet uit bloed, niet uit de wil van vlees, niet uit de wil van een man, maar uit God geboren. Niet uit prestatie, en niet omdat je opgegroeid bent in het juiste volk. Wij zijn geen Joden. Misschien heeft iemand van ons wat Joods bloed, ik volgens mij niet. Maar ook wij hebben het recht, de macht gekregen om kinderen van God te worden. Opnieuw geboren.

Daar komen we later nog op terug, want Jezus vertelt dat ook aan Nicodemus: je moet opnieuw geboren worden. Wat is dat dan? Het is nog geen spoiler, maar denk eens na over een baby die geboren wordt. Wat doet een baby om te helpen bij zijn geboorte? Niets. Een baby is er gewoon. Het is het lichaam van de moeder dat zegt: nu is het tijd, nu moet het eruit. Dat hele lichaam begint met weeën en persen, en die baby is gewoon baby. Die wordt geboren. In de eerste minuut ademt hij soms nog niet eens. Maar hij wordt meteen vastgehouden, schoongemaakt, in de armen van de vader of moeder gelegd. Dan komen die eerste schreeuwtjes en komt er leven in. En die baby heeft niet hard gewerkt.

Hij heeft geen lijstje van dingen goed gedaan, zo van: oké, je stempelkaart is vol, nu mag je geboren worden. Nee. Je wordt niet ingelijfd, je wordt niet in dienst genomen in het koninkrijk van God. Je mag geboren worden in het koninkrijk van God. Op het moment dat je je hart openstelt en zegt "Heer, ja", gebeurt er iets moois. Iets wat we ook niet kunnen begrijpen. Je wordt geboren. Niet omdat je goed genoeg bent.

Hij sloeg Zijn tent op

En dan komt Johannes in vers 14 met die zin: "En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond." Degene die er was vóór het licht, vóór de schepping, vóór de tijd, want de tijd was nog niet geschapen, die komt wonen. Niet logeren, met een weekendtas voor een weekendje aarde. Hij kwam wonen.

Ik hou van de grondtekst en van een beetje graven in de Bijbel, en ik dacht: wonen, wat betekent dat dan? Dan kom je weer tot de ontdekking dat de Nederlandse vertaling best veel zegt, maar dat er nog iets in het Griekse woord zit: skēnoō. Dat hangt samen met het woord voor tent, het woord dat ook voor de tabernakel gebruikt wordt. Er staat dus eigenlijk niet alleen "wonen". Er staat: Jezus kwam op aarde en sloeg Zijn tent op.

Toen moest ik meteen denken aan een ander verhaal in de Bijbel, over een tent die werd opgeslagen waarin God kwam wonen. In het Oude Testament, onder Mozes. Ik had er altijd overheen gelezen, en toen ik dit las dacht ik: wow. Want de tabernakel stond niet ergens ver weg op een berg. Het was geen tempel waar je eerst dagen naartoe moest reizen om God eer te bewijzen. De tabernakel stond letterlijk in het midden van het kamp.

De Israëlieten moeten hun kamp opslaan, ieder bij zijn vaandel, bij de herkenningstekens die behoren bij hun familie; zij moeten op enige afstand hun kamp opslaan rondom de tent van ontmoeting. — Numeri 2:2 (HSV © Stichting HSV)

Alle stammen van Israël moesten hun tenten rondom de tabernakel zetten. De tabernakel was het centrum. God woonde toen al, als een soort beeld van wat er zou komen, in het midden. In het midden moest Mozes een tent opslaan voor God om in te wonen. Later, toen Jeruzalem het centrum van het Joodse rijk werd, kwam de tempel en woonde God in de tempel. Alleen nu niet meer. Ik denk dat God nu Zijn tent heeft opgeslagen in onze harten. Daar hebben we het de vorige keer ook over gehad.

Toen de tent klaar was, vulde Gods heerlijkheid die tent, en dat was zo overweldigend dat Mozes de tent niet meer binnen kon.

Toen overdekte de wolk de tent van ontmoeting, en de heerlijkheid van de HEERE vervulde de tabernakel, zodat Mozes de tent van ontmoeting niet kon binnengaan, omdat de wolk daarop bleef en de heerlijkheid van de HEERE de tabernakel vervulde. — Exodus 40:34-35 (HSV © Stichting HSV)

Johannes zegt eigenlijk in dit ene zinnetje, waar we zo snel overheen lezen, dat Jezus dat opnieuw heeft gedaan. Hij kwam op aarde en sloeg Zijn tent op. Johannes gebruikt ook die woorden. Alleen niet meer in doek en hout, maar in een lichaam. Jezus in het vlees, niet meer midden in de woestijn in een legerkamp, maar tussen de mensen. In jouw straat, in jouw stad misschien wel, als wij in Bethlehem hadden gewoond.

Wat ook bijzonder is: het Hebreeuwse woord voor die tent is misjkan. En dat woord is verwant aan het woord Sjechina: Gods heerlijkheid, Gods aanwezigheid. Dat woord Sjechina staat zelf niet in de Bijbel; het komt uit de latere Joodse traditie. Maar beide woorden komen van dezelfde Hebreeuwse wortel, sh-k-n, die "wonen" betekent. Het woord voor de tent en het woord voor Gods wonende aanwezigheid zijn dus taalkundig met elkaar verbonden. In die Joodse traditie staat de Sjechina ook voor de wolkkolom en de vuurkolom die op de tent rustten, op de ark.

God wilde toen al laten zien dat Hij niet een God was van ver weg, ergens boven op een berg waar je één keer in de zoveel tijd naartoe mocht. God wilde toen al laten zien: Ik wil in het midden wonen. Ik wil tussen Mijn kinderen wonen, tussen Mijn volk.

Stel je eens voor dat we tweeduizend jaar geleden geleefd hadden. Of stel je voor dat je morgen nieuwe buren krijgt. Een jong stel, zij is hoogzwanger. En wij gaan met een kop koffie even langs bij onze nieuwe buren om kennis te maken. Ze stellen zich voor: Jozef en Maria, en zij is zwanger. Zo reëel was Jezus. Hij had zomaar je buurman kunnen zijn.

Dat heeft Johannes zich ook beseft. De God die er was voordat de hemel en de aarde geschapen werden, de Almachtige, door Wie en tot Wie alle dingen geschapen zijn, komt gewoon naast je wonen als je buurman. Dat was de realiteit, tweeduizend jaar geleden. Er waren mensen die met Hem opgroeiden, die als kind met Hem speelden. Hij heeft vriendjes gehad. Hij is naar school geweest, Hij moest de Thora leren uit Zijn hoofd. Hij heeft dat allemaal meegemaakt. Wat dat betreft was Hij een redelijk gewone jongen.

We lezen eigenlijk bijna niets over Zijn jeugd, behalve die ene keer dat Hij in de tempel achterbleef en Zijn ouders al een dagreis onderweg waren voordat ze het merkten. Hoe kom je er dan pas achter dat je je kind vergeten bent? Maar goed, het gebeurde. En toen was iedereen verbaasd dat Hij zo wijs was. Maar we lezen geen wonderen over Jezus die de dode hond van de buurman tot leven wekt, waarna de buurvrouw zegt: Jezus, moet je nou ophouden, dit is de zesde keer, laat dat beest nou eens. Dat soort dingen lees je niet, en dat gebeurde dus ook niet. Pas veel later ging Jezus echt in Zijn goddelijkheid staan.

We kunnen dus concluderen dat Hij echt gewoon als een buurman, als een buurjongetje in de straat, had kunnen wonen. Dat is wat Johannes in dit stukje wil laten landen. In onze vertaling blijft Hij nog een beetje op afstand staan. Maar nee: Hij heeft Zijn tent opgeslagen. En dat had zomaar bij jou in de straat kunnen zijn.

Genade en waarheid, hand in hand

Dan vers 17, en daar gaan we weer even naar het serieuzere gedeelte. "Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen." Hier staan twee verschillende werkwoorden. De wet is door Mozes gegeven: een overdracht op een berg ver weg, waar Mozes alleen was, op stenen tafelen. We weten dat het eigenlijk twee keer gebeurd is. Maar de genade en de waarheid zijn door Jezus gekomen, en dat is hetzelfde werkwoord als een paar verzen eerder: het Woord is vlees geworden. Het is niet gegeven, het is geworden, het is ontstaan. Genade en waarheid hebben een lichaam gekregen, van vlees en bloed, en een naam. Genade en waarheid in Jezus.

De wet kun je op twee stenen tafelen schrijven. Die kun je stukgooien, en dan moet je ze opnieuw laten schrijven. Maar genade moet je ontmoeten. En de waarheid, zoals Jezus die bedoelt, moet je ook ontmoeten. Mozes bracht iets waardevols: de woorden van God op steen. Maar Jezus brengt niet alleen de woorden. Hij is het Woord, Hij ís die woorden, in een lichaam dat gewoon naast je kan lopen.

Als het over genade en waarheid gaat: met de waarheid kunnen wij mensen best fanatiek zijn. Het is de waarheid, en dan kunnen we heel fel worden. Maar in Jezus hebben we genade en waarheid bij elkaar. Niet het een of het ander. Jezus is niet alleen maar genadig; Jezus is ook waarheid. Daar gaan we ook nog bij stilstaan. Maar wat mij opvalt, is dat genade voorop gaat. Als we de andere verhalen van Johannes gaan bespreken, zullen we dat elke keer weer terugzien. Spoiler alert: de overspelige vrouw. "Ook Ik veroordeel u niet": genade. "Ga heen en zondig niet meer": waarheid. Die mag je alvast onthouden.

Het is dus geen tegenstelling tussen een strenge God uit het Oude Testament, met wetten en regels, en dan ineens, alsof God vierhonderd jaar in therapie is geweest, in het Nieuwe Testament een soort "kom maar, kom maar"-vader. Hij is al die tijd al een liefdevolle Vader geweest. Maar Jezus kwam om ons dat te laten zien, omdat we het in het Oude Testament nooit echt goed hebben begrepen. Waardevolle woorden, de wet op steen, maar Jezus heeft laten zien wat het betekent om in die woorden te leven. Om met die woorden te leven. Niet krampachtig, maar liefdevol, en het is genade. Ook in de wet gaat genade voorop, en de waarheid komt daarna. God omarmt je eerst en zegt dan: laat Me je helpen om je leven anders in te richten. Niet het een of het ander, maar allebei.

Je zou kunnen zeggen: dat is mooi, maar dat is wel weer Nieuw Testament. Staat er ook iets over in het Oude Testament? Ik denk: ja, gevonden! In hetzelfde verhaal, weer met Mozes en de stenen tafelen.

Mozes kwam naar beneden met de twee stenen tafelen, en daar stond een gouden kalf. Hij had het volk gezegd dat dat niet mocht, en nu komt hij met de wet naar beneden en is hij zo boos dat hij de tafelen stukgooit. Ik stel me voor dat Mozes denkt: hoe moet dit nou? Dit volk is zo eigenwijs. Ik ben even naar boven om met God te praten, en als ik terugkom hebben ze een gouden kalf gemaakt. Mozes pleit voor het volk: Heer, vergeef het ons alstublieft. Ik heb U echt nodig, U moet ons helpen. En God zegt dat Mozes op de rots moet gaan staan, en dat Hij Zelf in zijn aanwezigheid de Naam van de HEERE zal uitroepen.

Mozes gaat opnieuw naar boven, en God schrijft opnieuw de wet op de stenen tafelen. En dan doet God iets wat ik eigenlijk niet had verwacht. Hij verschijnt niet in donder en vuur als een toornige God vanwege wat het volk gedaan heeft.

Toen daalde de HEERE neer in een wolk, ging daar bij hem staan en riep de Naam van de HEERE uit. Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw, Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar Die de schuldige zeker niet voor onschuldig houdt en de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de kinderen en kleinkinderen, tot in het derde en vierde geslacht. — Exodus 34:5-7 (HSV © Stichting HSV)

Dat zijn van die details die ik zelf nog niet eerder echt had gezien, en dan kijk je er nog eens naar en denk je: wow. De HEERE roept Zijn eigen Naam uit. God proclameert Zichzelf. "Rijk aan goedertierenheid en trouw." In het Hebreeuws staat daar chesed we'emet. Chesed staat voorop, en dat woord betekent genade, goedertierenheid, trouwe liefde. Emet betekent waarheid, trouw, vastheid. Eigenlijk zegt God hier over Zichzelf tegen Mozes, bij die stenen tafelen: Ik ben vol genade en waarheid. Het staat er niet letterlijk met dezelfde woorden als in Johannes, maar het is hetzelfde woordpaar, dezelfde formule.

En Johannes is een Jood. Wat deden Joodse jongens als ze opgroeiden? Die leerden van jongs af grote delen van de Thora, de eerste vijf boeken, uit hun hoofd. Dat waren echt wandelende concordanties: er hoefde maar iets gezegd te worden en ze wisten precies waar het stond, want dat was hun training van jongs af aan. Johannes weet dit dus. Hij noemt het genade en waarheid, en hij trekt een lijn, want hij heeft het over de wet. Door Mozes hebben wij de wet, de woorden van God gekregen. Maar de genade en de waarheid, de proclamatie van God bij het geven van de wet voor de tweede keer, zijn door Jezus Christus gekomen. Johannes heeft, denk ik, zo'n zestig jaar kunnen nadenken over alles wat hij heeft meegemaakt, en hij kwam tot de conclusie: hé, hier zit een link. En hij trekt het naar zijn tijd toe. Weer een samenvoeging van Oud en Nieuw Testament.

En dan: genade op genade. In het Grieks staat er letterlijk niet "genade op genade", maar "genade in plaats van genade", charin anti charitos. Het is een soort herhalende vorm: genade op genade op genade op genade, en zo kan het gewoon door blijven gaan. Je moet denken aan de golven van de zee. De golf komt het strand op, genade, en voordat die golf alweer terug is, komt de volgende golf alweer, en de volgende, en dat gaat maar door. Zo omschrijft Johannes de genade van God. Genade op genade op genade.

Je kunt het ook omschrijven met die volheid, zoals Paulus het in Kolossenzen doet: "in Hem woont heel de volheid van de Godheid lichamelijk" (Kolossenzen 2:9). Een vat dat zo vol is dat één druppeltje het al doet overstromen. Dat betekent het Griekse woord voor volheid, plērōma: het is echt vol, het kan niet voller, er hoeft maar één druppel bij en het stroomt over. Helemaal vol tot aan de rand, niets tekort. Zo wordt de genade van God omschreven. Niet als een klein restje, niet als iets wat een keer op is. Het is genade op genade, als een eindeloze golf die over de wereld blijft rollen. Niet een beetje, niet half: het is voor ons beschikbaar. De genade van God, een volheid die nooit opraakt.

Niemand heeft ooit God gezien

Dan komen we langzaam bij het einde, vers 18: "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard." Jezus heeft ons God laten zien. Verderop in Johannes komen we daar nog op terug.

Door de hele geschiedenis heen hebben mensen God gezocht, Gods aangezicht gezocht. Mozes was zo vrijmoedig, bijna brutaal zou ik zeggen, dat hij tegen God zei: ik wil U zien. En God zegt: dat kan niet.

Hij zei verder: U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven. Ook zei de HEERE: Zie, hier is een plaats bij Mij, waar u op de rots moet gaan staan. En het zal gebeuren, als Mijn heerlijkheid voorbijtrekt, dat Ik u in een kloof van de rots neer zal zetten en u met Mijn hand zal bedekken totdat Ik voorbijgegaan ben. En zodra Ik Mijn hand wegneem, zult u Mij van achteren zien, maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden. — Exodus 33:20-23 (HSV © Stichting HSV)

Dat kon Mozes nog wel aan. In een eerdere preek heb ik stilgestaan bij de berg van de verheerlijking. Mozes mocht het beloofde land niet in. Hij stond op de berg en zag het land liggen, maar hij mocht niet mee. En hij mocht Gods aangezicht niet zien. Maar op de berg van de verheerlijking staat Mozes daar, oog in oog met Jezus, en Jezus straalt als de zon. Mozes ziet God van aangezicht tot aangezicht in volle glorie, en hij is in het beloofde land.

Niemand heeft ooit God gezien, zegt Johannes. Alle profeten wilden het. Ze kregen dromen, visioenen, stemmen in de nacht, ze zagen engelen, de Engel van de HEERE, maar nooit was het Gods glorie in zijn totaliteit. En dan komt Jezus. Johannes zegt: Jezus heeft God laten zien in Zijn volheid, in Zijn glorie, en Hij heeft onder ons gewoond. We hebben Zijn licht gezien, we hebben Zijn glorie gezien, we hebben Zijn genade gezien. En niet omdat de mensen ineens scherper gingen kijken, of omdat ze een stempelkaartje helemaal vol hadden met alle goede dingen die ze moesten doen en daarom eindelijk Gods glorie mochten zien. Nee. Het was te zien op straat, aan tafel, aan een kruis, en als je geluk had misschien bij je buren. Misschien was Hij wel je buurman.

Hij was er al voordat jij je eerste vraag stelde

Wat doen we nu met dit alles? Misschien is dit het wel: dat je vanochtend tot het besef mag komen dat Hij er al was. Nog voordat je bestond, nog voordat je je eerste vraag stelde, nog voordat je aan God überhaupt dacht of voor het eerst een voet in de kerk zette.

Ik heb heel veel vragen, en ik denk jij ook. Ik heb een soort geestelijke archiefkast met van die hangmappen, met heel veel vragen aan God. Ik zie het zo voor me: straks ben ik bij Hem in de hemel en heb ik een steekkar bij me met zo'n archiefkast. En dan zeg ik: hebt U even een minuutje? En dan trek ik een mapje uit en zeg ik: ik heb even wat vragen. Ik denk niet dat het zo gaat gebeuren, maar zo stel ik het me voor. Ik hou van vragen. Maar Hij wist het al. Hij was er al, voordat ik die vragen had.

Hij is toen fysiek gekomen om onder de mensen te wonen, en nu in ons hart. Hij wil Zijn tent opslaan in jouw hart, en daar spreekt Johannes een paar preken verderop ook nog over. Hij is genadig, trouw en aanwezig. Ik denk dat dat de kern is van waar Johannes mee wil beginnen, voordat we al die verhalen gaan vertellen over wat Jezus heeft gedaan. Dit is het. Het was er bij Mozes al als een soort voorafschaduwing, God liet toen al zien wat Hij wilde, en in Jezus is het werkelijkheid geworden.

Misschien zit je hier met het gevoel dat je stempelkaart nog niet vol is. Je zou graag meer van God willen voelen, meer zegen willen ontvangen, en je denkt: ik mis nog een paar stempels. Ik denk dat ik samen met mijn naamgenoot Johannes mag zeggen: het gaat niet om die stempels. Het is niet zo dat je, omdat je stempelkaart niet vol is, maar een klein laagje uit de emmer van genade krijgt. Nee, God wil die hele emmer over je uitstorten. En het bijzondere is: die emmer raakt niet leeg. Het ligt niet aan ons. Wij mogen zijn als die baby, geboren zonder zelf iets te kunnen doen aan onze redding, aan een beter plekje bij God. Onze stempelkaart is in Hem al vol. En wie Hem aanneemt, heeft Hij de macht gegeven om kinderen van God te worden.

Ik denk niet dat hier veel mensen zitten die nog wachten tot Jezus woning maakt in hun hart. Maar dat is wel de boodschap die we naar buiten mogen brengen. Er is een Jezus die Zijn tent wil opslaan in je hart. Je hebt geen checklist nodig en geen volle stempelkaart. Het mag. Hij wil. Wil jij je deur opendoen voor die Jezus?

Ik denk dat dit ook het geheim is dat we elke keer terug gaan zien in het evangelie van Johannes. Eerst de genade: kom maar. Dan: ga heen en zondig niet meer. En laat de Geest van God dat werk doen, want Die kan dat veel beter dan wij. En Die heeft meer geduld dan wij.

Af en toe, als ik naar mijn eigen kinderen kijk en naar de opvoeding, kan het weleens erg gaan jeuken. Dan denk ik: joh, kom op, je bent 17! Dat zou je toch wel een keer moeten weten. En dan word ik door deze verzen weer teruggebracht naar wat God zegt: joh, mag Ik het doen? Leef het maar voor en zeg het in alle liefde, word niet gefrustreerd. Er komt een dag, dan snapt hij het wel. En ik denk: ik heb er zelf ook 17 jaar over gedaan om God te ontmoeten. Hij was er al, alleen had ik het niet door.

Hij was er al voordat we vanochtend uit ons bed kwamen. Hij was er al voordat je überhaupt geboren werd. Hij was er al vanaf, of zelfs vóór, het begin, om Zijn tent op te slaan. Bij ons, in ons, tussen ons.

Amen.

Meer inspiratie