Bijbelstudie

Oordeel, verbond en herstel: de regenboog van Genesis 9 tot Openbaring 4

In het kort

Genesis 6–9 laat zien dat oordeel niet Gods laatste woord is: na de vloed verbindt God Zich in een verbond aan heel de schepping, met de boog in de wolken als teken. Dat patroon keert terug bij Jesaja, Petrus en Paulus, die schrijft dat God door Christus alle dingen met Zich verzoent. In Openbaring staat de regenboog rond de troon van het oordeel. Of uiteindelijk ieder mens verzoend wordt, blijft een open vraag, maar oordeel staat nooit los van Gods trouw.

In deze studie
  1. Een vraag met twee kanten
  2. Genesis 6: het kwaad doet God pijn
  3. De vloed: niet om het oordeel heen, maar erdoorheen
  4. Na de vloed is de mens niet veranderd
  5. Een verbond met alle vlees
  6. De boog in de wolken
  7. Oordeel als doorgang naar verbond
  8. Jesaja 54: het verbond van vrede
  9. Noach, de ark en Christus
  10. Alle dingen verzoend
  11. De regenboog rond de troon
  12. De teksten die ons tegenspreken
  13. Drie manieren waarop christenen dit lezen
  14. Wat zeker is, wat waarschijnlijk is en wat open blijft
  15. Alle dingen nieuw

Een vraag met twee kanten

Wil God uiteindelijk heel Zijn schepping met Zichzelf verzoenen? Weinig vragen in de christelijke theologie zijn zo beladen. Dat komt niet doordat de Bijbel er weinig over zegt, maar juist doordat de Schrift twee lijnen bevat die elkaar op het eerste gezicht tegenspreken.

Aan de ene kant spreekt Paulus in opvallend ruime woorden. God wil door Christus alle dingen met Zichzelf verzoenen, op de aarde en in de hemelen (Kolossenzen 1:20). God was in Christus de wereld met Zichzelf aan het verzoenen (2 Korinthe 5:19). Zoals in Adam allen sterven, zo zullen in Christus allen levend gemaakt worden (1 Korinthe 15:22). God heeft allen onder de ongehoorzaamheid besloten om Zich over allen te ontfermen (Romeinen 11:32). Aan de andere kant waarschuwt Jezus Zelf ernstig voor oordeel. Mattheüs 25 spreekt over eeuwige straf, 2 Thessalonicenzen 1 over eeuwig verderf, en Openbaring over de poel van vuur en de tweede dood.

Een eerlijke Bijbelstudie mag geen van beide reeksen teksten kleiner maken dan ze zijn. De vraag van deze studie is daarom niet of we kunnen bewijzen dat iedereen uiteindelijk gered wordt. De vraag is: in welke richting beweegt het grote verhaal van de Bijbel, en hoe lezen we binnen die beweging de zware oordeelsteksten? We beginnen bij de eerste grote oordeelstekst van de Bijbel, de zondvloed. Daar wordt al vroeg een patroon zichtbaar dat tot in het laatste Bijbelboek terugkeert.

Genesis 6: het kwaad doet God pijn

Genesis 6 geeft een van de donkerste beschrijvingen van de mensheid. God ziet dat de slechtheid van de mens groot is en dat alles wat de mens in zijn hart bedenkt, alleen maar slecht is (Genesis 6:5). Een paar verzen verder krijgt het kwaad een naam: de aarde is vervuld met geweld (Genesis 6:11 en 13). Het Hebreeuwse woord is chamas (חָמָס): geweld, onrecht, onderdrukking. Het gaat dus niet om een abstracte schuld, maar om wat mensen elkaar aandoen.

Daartussen staat een zin die je niet zou verwachten. Het berouwde de HEERE dat Hij de mens gemaakt had, en het smartte Hem in Zijn hart (Genesis 6:6). Het Hebreeuwse werkwoord voor die smart komt van dezelfde stam als het woord voor de moeite en pijn in Genesis 3:16-17, en als het zwoegen waarvoor Lamech bij de geboorte van Noach troost verwacht (Genesis 5:29). De pijn die de mens over de aarde bracht, raakt nu God Zelf.

Dat verandert de manier waarop we de vloed lezen. Het verhaal gaat niet over een God die in een opwelling van woede Zijn schepping vernietigt. Het gaat over een God die ziet hoe het leven dat Hij bedoelde door geweld kapot wordt gemaakt, en die daar diep door geraakt wordt. Hij oordeelt omdat Hij de schepping liefheeft, niet omdat Hij haar veracht. Kwaad kan niet eindeloos doorgaan wanneer God werkelijk om de slachtoffers geeft. Oordeel is in dit verhaal in de eerste plaats het begrenzen van kwaad, een lijn die doorloopt via de wet, de profeten en het kruis, tot de dag dat het kwaad helemaal uit Gods nieuwe schepping verdwenen is.

De vloed: niet om het oordeel heen, maar erdoorheen

We mogen de vloed niet verzachten: mensen en dieren sterven, en het is een werkelijk oordeel. Wie goed kijkt, ziet binnen dat oordeel ook iets anders. God bewaart een rest van de schepping: Noach, zijn gezin, en van de dieren telkens een mannetje en een vrouwtje. Zij ontsnappen niet aan de vloed. Ze gaan erdoorheen, en stappen aan de andere kant een nieuwe wereld binnen.

Dat patroon keert in de Bijbel steeds terug. Israël trekt door de Schelfzee en komt aan de overkant als vrij volk. Na de ballingschap volgt de terugkeer, na de dood de opstanding, na de oude schepping de nieuwe. De vloed is daarom niet alleen een verhaal over vernietiging, maar ook een verhaal over doorgang. Dat wordt belangrijk wanneer Petrus het verhaal later met Christus verbindt.

Na de vloed is de mens niet veranderd

Je zou verwachten dat het probleem na de vloed is opgelost. Genesis zegt iets anders. Wanneer Noach na de vloed een offer brengt, zegt God in Zijn hart dat Hij de aardbodem niet meer zal vervloeken om de mens, en Hij geeft als reden dat de neiging van het hart van de mens slecht is van zijn jeugd af (Genesis 8:21). Het is bijna dezelfde diagnose als in Genesis 6:5.

De vloed heeft de menselijke natuur dus niet veranderd. Wat vóór de vloed de reden was voor het oordeel, is na de vloed de aanleiding voor Gods belofte om nooit meer zo te slaan. Dat is theologisch van groot belang: God sluit Zijn verbond niet omdat de mens verbeterd is. Het verbond rust niet op menselijke betrouwbaarheid, maar op Gods besluit. Hetzelfde patroon zie je later, wanneer God bij het verbond met Abraham alleen tussen de offerstukken doorgaat (zie ook waarom Gods verbond op Zijn trouw rust en niet op de onze).

Een verbond met alle vlees

Genesis 9 herhaalt opvallend vaak met wie God dit verbond sluit: met Noach, met zijn nakomelingen, met alle levende wezens, met de vogels, het vee en de wilde dieren, met alle vlees, en zelfs met de aarde (Genesis 9:9-17). Het verbond met Noach is daarmee uniek in de Bijbel. Het is niet beperkt tot één volk of tot gelovigen, maar omvat de hele geschapen wereld.

Als deze boog in de wolken is, zal Ik hem zien, en denken aan het eeuwig verbond tussen God en alle levende wezens van alle vlees dat op de aarde is.

Genesis 9:16 (HSV © Stichting HSV)

We moeten precies zijn over wat God hier belooft. Hij belooft niet dat er nooit meer oordeel komt. Hij belooft dat alle vlees niet opnieuw door het water van een vloed zal worden uitgeroeid (Genesis 9:11). De inhoud van de belofte is dus beperkt, maar het patroon eronder is groter: God verbindt Zijn toekomst aan de toekomst van Zijn schepping. Hij schrijft haar niet af.

De boog in de wolken

Het Hebreeuwse woord in Genesis 9 is qeshet (קֶשֶׁת), en dat betekent gewoon: boog. Het is hetzelfde woord dat elders in het Oude Testament voor de strijdboog van een krijger wordt gebruikt.

Mijn boog heb Ik in de wolken gegeven; die zal dienen als teken van het verbond tussen Mij en de aarde.

Genesis 9:13 (HSV © Stichting HSV)

De context van wolken en regen maakt duidelijk dat hier de regenboog bedoeld is. Verschillende uitleggers, onder wie Meredith Kline, wijzen daarnaast op een mogelijke tweede laag. In het oude Nabije Oosten was de boog een oorlogswapen, en een boog die wordt neergelegd of opgehangen, kan een beeld zijn van beëindigde vijandschap. God hangt als het ware Zijn wapen op.

Die gedachte is mooi, maar we moeten haar niet zwaarder maken dan de tekst draagt. Genesis zegt nergens met zoveel woorden dat God Zijn strijdboog aan de hemel hangt. Het helpt om drie niveaus te onderscheiden. Zeker is dat qeshet boog betekent en hier de regenboog aanduidt. Waarschijnlijk is dat de boog functioneert als teken van verbond en vrede. Mogelijk is dat de eerste hoorders er ook een neergelegd wapen in hoorden. Als die laatste laag klopt, draagt de hemel sinds de vloed een teken dat Gods omgang met Zijn schepping voortaan door verbondstrouw wordt bepaald.

Oordeel als doorgang naar verbond

Lees je Genesis 6 tot 9 als één geheel, dan zie je een beweging. God ziet het kwaad, en het doet Hem pijn. Hij oordeelt het kwaad, bewaart leven door het oordeel heen en begint opnieuw met de schepping. Daarna verbindt Hij Zich aan diezelfde schepping, terwijl het hart van de mens nog steeds gebroken is.

Genesis eindigt dus niet met oordeel. Het oordeel wordt een doorgang naar verbond. Dat betekent niet dat elk oordeel in de Bijbel automatisch herstellend is. Het betekent wel dat vernietiging in de eerste grote oordeelstekst van de Bijbel niet Gods laatste woord is.

Jesaja 54: het verbond van vrede

De Bijbel laat het verhaal van Noach niet in Genesis liggen. In Jesaja 54 grijpt God er Zelf op terug. Zoals Hij in de dagen van Noach zwoer dat het water de aarde niet meer zou overstromen, zo zweert Hij nu dat Hij niet meer op Zijn volk zal toornen. De bergen mogen wijken en de heuvels wankelen, maar Zijn goedertierenheid zal niet wijken en het verbond van Zijn vrede zal niet wankelen (Jesaja 54:9-10).

De verbinding tussen de vloed en blijvende ontferming is dus niet door latere uitleggers bedacht; ze staat in de Bijbel zelf. Ook de plaats in Jesaja is veelzeggend. Vlak ervoor, in Jesaja 53, draagt de lijdende Knecht de zonde en de schuld van velen. Hoofdstukindelingen zijn van veel later datum, dus we moeten niet doen alsof de profeet bewust hoofdstuk 53 door hoofdstuk 54 heeft laten volgen. Literair horen deze gedeelten wel bij hetzelfde grotere geheel, en de beweging is opvallend: eerst de lijdende Knecht, dan vrede, herstel en het verbond van Noach. Dat maakt een lezing die naar Christus kijkt allerminst vergezocht.

Noach, de ark en Christus

Wat 1 Petrus wel en niet zegt

In preken hoor je vaak dat Jezus onze ark is. Dat beeld is bruikbaar, maar het Nieuwe Testament zegt het nergens letterlijk. Wat het wel doet, is minstens zo rijk. In 1 Petrus 3:18-22 brengt Petrus het lijden en de opstanding van Christus samen met Noach, de ark, het water en de doop. Hij noemt de doop het tegenbeeld (Grieks: antitypos) van wat er in de dagen van Noach gebeurde: het verhaal van toen krijgt in de christelijke werkelijkheid zijn vervulling.

In de geschiedenis van Noach is water tegelijk het middel van oordeel en de doorgang naar een nieuwe wereld. Daar zit de parallel met Christus. Hij ontwijkt de dood niet; Hij gaat erdoorheen, en juist daardoor breekt de nieuwe schepping open. Christus als ark is dus legitieme christelijke typologie, zolang we zien dat Petrus' eigen punt breder is. Noach en de vloed vormen een patroon van oordeel, redding door het oordeel heen en nieuw leven, dat in Christus zijn diepste vervulling krijgt.

Hetzelfde gedeelte bevat een van de raadselachtigste zinnen van het Nieuwe Testament. Christus, levend gemaakt door de Geest, ging heen en predikte aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam waren in de dagen van Noach (1 Petrus 3:19-20). Een hoofdstuk later staat dat het evangelie ook aan doden verkondigd is (1 Petrus 4:6). Over de betekenis van deze verzen is al sinds de vroege kerk geen overeenstemming. Sommigen lezen hier een aankondiging van Christus' overwinning aan gevallen geesten, anderen een prediking door de Geest via Noach in zijn eigen tijd, weer anderen een verkondiging aan gestorvenen. Wie hoopt dat Gods werk voorbij de grens van de dood doorgaat, kan hier niet op bouwen alsof de zaak beslist is. Opvallend is wel dat Petrus juist bij het verhaal van Noach deze vraag aanraakt.

Kwam het oordeel op Jezus terecht?

Sommige manieren om over het kruis te spreken zeggen dat de straf die wij verdienden op Jezus werd gelegd. Daar zijn Bijbelse gronden voor, zoals Jesaja 53, Galaten 3:13 en 1 Petrus 2:24. Paulus formuleert het in Romeinen 8:3 echter heel zorgvuldig: God veroordeelde de zonde in het vlees. Dat is net iets anders dan zeggen dat God Jezus veroordeelde. En in 2 Korinthe 5:19 is het God Zelf die in Christus de wereld met Zich verzoent. Het kruis is geen verhaal van een liefdevolle Zoon die een boze Vader moet overhalen; het kruis laat zien wie de Vader is. Meer daarover lees je in waarom Jezus aan het kruis moest sterven.

Daarom formuleer ik de verbinding met Noach liever anders dan "de vloed viel uiteindelijk op Jezus". Bij Noach ging een vertegenwoordigd deel van de schepping door het oordeel heen naar een nieuwe wereld. In Christus ging de Schepper Zelf de dood binnen, en door Zijn opstanding opende Hij de weg naar de nieuwe schepping.

Alle dingen verzoend

Kolossenzen 1

Wanneer we vragen hoe ver Gods verzoening reikt, is Kolossenzen 1:15-20 misschien de belangrijkste tekst. Paulus gebruikt twee keer bijna dezelfde kosmische taal. Eerst: door Christus zijn alle dingen geschapen, in de hemelen en op de aarde, zichtbaar en onzichtbaar (vers 16). Daarna: door Hem wil God alle dingen met Zichzelf verzoenen, op de aarde en in de hemelen, doordat Hij vrede heeft gemaakt door het bloed van Zijn kruis (vers 20).

Die parallel is exegetisch belangrijk. Dezelfde werkelijkheid die door Christus bestaat, is het voorwerp van Gods verzoenend werk. Kolossenzen 1 gaat dus niet alleen over de bekering van individuele mensen, maar over de verzoening van de hele schepping. Wie de reikwijdte van "alle dingen" in vers 20 kleiner maakt, moet uitleggen waarom dezelfde woorden in vers 16 wel de hele kosmos omvatten.

De moeilijkere vraag is of verzoening hier betekent dat ieder persoonlijk schepsel uiteindelijk vrijwillig met God verenigd wordt. Dat zegt de tekst niet met zoveel woorden, en direct daarna houdt Paulus zijn lezers voor dat zij verzoend zijn, als zij tenminste in het geloof blijven (Kolossenzen 1:21-23). Kolossenzen 1 is daarom een zeer sterke tekst voor uiteindelijk kosmisch herstel, maar geen sluitend bewijs voor universele persoonlijke redding.

Andere teksten in dezelfde richting

In Romeinen 5:18-19 zet Paulus Adam en Christus tegenover elkaar: door één overtreding kwam de veroordeling over alle mensen, door één rechtvaardigheid komt de rechtvaardiging ten leven over alle mensen. Traditionele uitleggers lezen de tweede "alle mensen" als allen die in Christus zijn. Anderen wijzen erop dat Paulus juist bewust dezelfde reikwijdte tegenover elkaar zet. De tekst weegt zwaar, maar beslist de discussie niet op zichzelf.

In 1 Korinthe 15:22-28 volgt op de woorden dat in Christus allen levend gemaakt zullen worden een orde: eerst Christus, dan wie van Christus zijn, dan het einde, wanneer alle macht is tenietgedaan en als laatste vijand zelfs de dood (zie ook waarom er nog zoveel kwaad is als Jezus heeft overwonnen). Het slot is opmerkelijk: God zal alles in allen zijn. Ook hier blijft de vraag of "levend gemaakt" alleen de lichamelijke opstanding bedoelt of ook de uiteindelijke verlossing.

Romeinen 11:32 gaat in de directe context over Joden en heidenen, maar Paulus trekt een bewust grote conclusie en laat er onmiddellijk een lofzang op volgen. Volgens Filippenzen 2:10-11 zal elke knie zich buigen en elke tong belijden dat Jezus Christus Heere is. Dat kan vrijwillige aanbidding betekenen, maar ook de erkenning van een overwinning die niemand meer kan ontkennen; de tekst zelf beslist dat niet. Efeze 1:10 ten slotte noemt Gods voornemen om in Christus alles bijeen te brengen, wat in de hemelen en wat op de aarde is.

De regenboog rond de troon

In Openbaring 4 krijgt Johannes een blik in de hemel. Hij ziet een troon, Iemand die erop zit, en rondom de troon een regenboog die eruitziet als smaragd (Openbaring 4:3).

De directe achtergrond is waarschijnlijk Ezechiël 1. Ook daar wordt de verschijning van Gods heerlijkheid vergeleken met de boog die op een regendag in de wolken is (Ezechiël 1:28), en de vier levende wezens in Openbaring 4 grijpen eveneens terug op Ezechiëls visioen. Ezechiël gebruikt hetzelfde Hebreeuwse woord qeshet als Genesis 9, in dezelfde combinatie met wolk en regen. Voor een lezer die zijn Bijbel kende, klonk in die boog de belofte na de vloed mee.

Er is wel een eerlijke kanttekening nodig. De Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament die de eerste christenen lazen, gebruikt in Genesis 9 en in Ezechiël 1 het gewone woord voor boog: toxon. Johannes gebruikt in Openbaring 4:3 een ander woord, iris, regenboog. Er is dus geen woordelijke verwijzing naar Genesis 9. De lijn loopt via de beelden en via Ezechiël, niet via de woordkeus. De directe literaire achtergrond is Ezechiël 1; de bredere echo van Genesis 9 en Gods verbondstrouw is waarschijnlijk, maar niet aantoonbaar.

Als die echo er is, is de plaats van de regenboog veelzeggend. Direct na Openbaring 4 en 5 begint het boek uitvoerig over oordeel: zegels, bazuinen, schalen. De troon waarvandaan het oordeel komt, is omgeven door het teken van verbondstrouw. Dat betekent niet dat er geen oordeel komt; Openbaring zegt nadrukkelijk het tegendeel. Het suggereert wel dat Gods oordeel nooit buiten Zijn karakter en Zijn trouw om plaatsvindt.

Het Lam in het midden van de troon

Openbaring 5 voegt daar iets beslissends aan toe. Johannes hoort dat de Leeuw uit de stam van Juda overwonnen heeft, maar wanneer hij kijkt, ziet hij een Lam, staande als geslacht (Openbaring 5:5-6). Richard Bauckham heeft laten zien hoe centraal dat beeld is voor het hele boek: God overwint het kwaad niet door meer geweld dan Babylon, maar door het Lam. Oordeel in Openbaring moet daarom steeds gelezen worden in het licht van het Lam, het kruis en het getuigenis van wie het Lam volgen. Bauckham waarschuwt er ook voor het boek te lezen als een gecodeerde tijdlijn. Het is eerder een beeldend getuigenis van Gods koningschap tegenover de machten van de wereld.

De teksten die ons tegenspreken

Een visie op herstel die de zware oordeelsteksten wegpraat, overtuigt niet. Deze teksten verdienen hun volle gewicht.

Mattheüs 25:46

Jezus sluit Zijn rede over het laatste oordeel af met de woorden dat de een zal weggaan in de eeuwige straf en de rechtvaardigen in het eeuwige leven. In het Grieks staat kolasis aiōnios tegenover zōē aiōnios. Omdat hetzelfde bijvoeglijk naamwoord gebruikt wordt, is het moeilijk om zonder verdere argumentatie te zeggen dat "eeuwig" bij het leven eindeloos betekent en bij de straf tijdelijk.

Er zijn tegenargumenten. Aiōnios is afgeleid van aiōn, tijdperk, en kan afhankelijk van de context ook betekenen: horend bij de komende eeuw. Sommigen wijzen er bovendien op dat Aristoteles kolasis omschreef als straf die het belang van de gestrafte dient, tegenover vergelding die de straffer bevredigt. Beide punten zijn op zichzelf juist, maar geen van beide bewijst dat de straf in Mattheüs 25 tijdelijk is. In het Grieks van de eerste eeuw werd het onderscheid van Aristoteles lang niet altijd gemaakt, en aiōnios gelijkstellen aan tijdelijk is taalkundig te simpel. Mattheüs 25 blijft een van de sterkste teksten tegen een eenvoudige lezing van uiteindelijk herstel. Over de betekenis van aiōnios lees je meer in hoe het zit met de hel.

Markus 9:43-48

Jezus spreekt over onuitblusbaar vuur en een worm die niet sterft. De achtergrond is Jesaja 66:24, waar het gaat over de lijken van wie tegen God in opstand kwamen. Daarom zien sommige uitleggers hier eerder vernietiging dan eindeloze bewuste pijn. Hoe je het ook leest, het beeld is buitengewoon ernstig.

2 Thessalonicenzen 1:9

Paulus spreekt over eeuwig verderf, ver weg van het aangezicht van de Heere. Traditioneel lezen christenen dit als eeuwige scheiding van God. Wie gelooft dat de goddelozen uiteindelijk ophouden te bestaan, legt de nadruk op het woord verderf. Een lezing van uiteindelijk herstel moet hier veel meer uitleg leveren dan de andere twee. Deze tekst is een echte tegenindicatie.

Openbaring 14:10-11 en 20:10-15

Volgens Openbaring 14:11 stijgt de rook van hun pijniging op tot in alle eeuwigheid. Dat is een van de sterkste teksten voor eeuwige bewuste straf. Tegelijk gebruikt Johannes hier beelden uit Jesaja 34:10, waar de rook van Edom voor altijd opstijgt, terwijl dat land niet letterlijk tot vandaag brandt. De beeldtaal is dus apocalyptisch, maar dat maakt de straf nog niet tijdelijk.

In Openbaring 20 worden eerst de duivel, het beest en de valse profeet in de poel van vuur geworpen, met de woorden dat zij dag en nacht gepijnigd zullen worden tot in alle eeuwigheid (vers 10). Daarna volgen de dood en het dodenrijk, en ten slotte ieder die niet in het boek van het leven geschreven staat (verzen 14-15). Openbaring noemt dit de tweede dood. Het woord dood wijst richting vernietiging, de pijniging in vers 10 richting voortdurend lijden. Geen enkele visie kan hier doen alsof er geen exegetische problemen zijn.

Drie manieren waarop christenen dit lezen

De discussie is te grof als we haar terugbrengen tot de vraag of je wel of niet in de hel gelooft. Binnen de kerk bestaan al eeuwenlang meerdere serieuze modellen, elk met sterke teksten en een eigen moeilijkheid.

Het eerste model is eeuwige bewuste straf: het oordeel leidt voor sommigen tot eindeloze uitsluiting en straf. Het steunt op Mattheüs 25:46, Markus 9, 2 Thessalonicenzen 1:9 en Openbaring 14 en 20. De grootste vraag voor deze visie is hoe eindeloze straf zich verhoudt tot de uitspraken over een God die alle dingen verzoent en alles in allen zal zijn.

Het tweede model is conditionele onsterfelijkheid, ook wel annihilationisme genoemd: de goddelozen worden uiteindelijk vernietigd, en "eeuwig" slaat op het blijvende gevolg. Het wijst op Mattheüs 10:28, Johannes 3:16, Romeinen 6:23 en de uitdrukking "tweede dood". Edward Fudge verdedigt deze visie uitvoerig in The Fire That Consumes. De grootste vraag hier is hoe de teksten over voortdurende pijniging gelezen moeten worden.

Het derde model is uiteindelijke verzoening: Gods oordeel is werkelijk, maar staat uiteindelijk in dienst van Zijn herstel van alle dingen. Het steunt op Romeinen 5, Romeinen 11:32, 1 Korinthe 15, Filippenzen 2 en Kolossenzen 1:20. De grootste vraag is hoe de teksten over eeuwige straf en definitieve uitsluiting gelezen moeten worden. De meest uitgebreide kritiek op dit model is The Devil's Redemption van Michael McClymond, juist waardevol om deze hoop tegen de sterkste tegenargumenten te toetsen.

Wie deze posities naast elkaar wil zien, met vertegenwoordigers die elkaar rechtstreeks beantwoorden, vindt dat in de tweede editie van Four Views on Hell, die naast deze drie ook een vierde, louterend model bespreekt.

Een riskant woord

Het woord alverzoening roept bij veel mensen iets op als: iedereen wordt automatisch gered, bekering doet er niet toe, oordeel stelt niets voor en hoe je leeft maakt uiteindelijk niets uit. Dat is een karikatuur van de historische christelijke hoop op herstel. Gregorius van Nyssa, een kerkvader uit de vierde eeuw, hoopte op een uiteindelijk herstel van alles, maar geloofde niet in een redding zonder oordeel. Voor hem was het oordeel na de dood pijnlijk en zuiverend, zoals Morwenna Ludlow in haar studie over zijn eschatologie laat zien. Dat bewijst niet dat Gregorius gelijk had. Het laat wel zien dat de hoop op uiteindelijke verzoening iets anders is dan goedkoop universalisme, en ook geen moderne uitvinding.

Wat zeker is, wat waarschijnlijk is en wat open blijft

De eerlijkste omschrijving van de positie in deze studie is: een christocentrische hoop op uiteindelijke verzoening en kosmisch herstel, waarin oordeel werkelijk en noodzakelijk blijft. Dat is iets anders dan zeggen dat we zeker weten dat ieder mens uiteindelijk gered wordt. Het helpt om drie niveaus uit elkaar te houden.

Wat ik op grond van de Schrift vrij zeker durf te zeggen: Gods doel met Zijn schepping is herstel, niet afschaffing. Het verzoenend werk van Christus reikt over de hele schepping. Kwaad, dood en vijandschap zullen niet eeuwig naast Gods Koninkrijk blijven bestaan, en Gods einddoel is een nieuwe schepping waarin Hij alles in allen is.

Wat ik waarschijnlijk acht: de ruime taal in Romeinen, 1 Korinthe, Efeze, Filippenzen en Kolossenzen vormt samen een serieus argument dat Gods uiteindelijke overwinning veel verder reikt dan de redding van een kleine groep uit een verloren wereld.

Wat ik open moet laten: of dat betekent dat ieder mens uiteindelijk werkelijk en vrijwillig met God verzoend wordt; hoe de teksten over eeuwige straf precies verstaan moeten worden; of oordeel na de dood nog een herstellende functie kan hebben; en of bepaalde oordeelsteksten spreken over vernietiging, voortdurende uitsluiting of zuivering.

Die terughoudendheid is geen zwakte. Ze voorkomt dat een conclusie die we graag zouden willen, vooraf bepaalt wat moeilijke teksten mogen betekenen. En wat er ook open blijft, één ding staat vast: als er uiteindelijk herstel is, komt dat nooit buiten Christus om, maar alleen door Zijn leven, Zijn kruis, Zijn opstanding en Zijn overwinning. Liefde laat zich niet afdwingen, keuzes doen ertoe, en de oproep tot bekering blijft klinken.

Alle dingen nieuw

Terug naar Noach. Genesis vertelt niet simpelweg dat de mensen slecht waren en dat God hen daarom vernietigde. Het grotere verhaal is dat Gods goede schepping door geweld werd aangetast, dat God daar diep door geraakt werd, dat Hij het kwaad begrensde door oordeel en leven bewaarde door het oordeel heen, en dat Hij Zich daarna opnieuw verbond aan een wereld waarvan het hart nog steeds gebroken was. Dat deed Hij niet omdat die wereld Hem iets kon garanderen, maar omdat Hij trouw is. De regenboog staat daarom niet tegenover het oordeel. Hij verschijnt erna.

Aan het einde van de Bijbel verschijnt opnieuw een boog, nu rond Gods troon, voordat Openbaring Zijn oordeel over het kwaad laat zien. Niet als bewijs dat het oordeel slechts tijdelijk is, maar als teken dat oordeel nooit losstaat van Gods karakter en Zijn verbondstrouw.

Openbaring eindigt ook niet bij de poel van vuur. Het eindigt met een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, met God die bij de mensen woont, zonder dood, rouw of pijn, en met de rivier en de boom van het leven, waarvan de bladeren dienen tot genezing van de volken (Openbaring 21:1-4 en 22:1-2). Hij die op de troon zit, zegt dat Hij alle dingen nieuw maakt (Openbaring 21:5). Hij vervangt niet alles door iets anders; Hij vernieuwt.

Ook daar blijft spanning. Er zijn mensen buiten de stad (Openbaring 22:15), en de waarschuwingen klinken tot in het laatste hoofdstuk. Tegelijk worden de poorten van de stad nooit gesloten, brengen de koningen van de aarde hun heerlijkheid erin (Openbaring 21:24-25), en blijven de Geest en de bruid zeggen: kom (Openbaring 22:17). Dat bewijst niet dat er herstel is na de dood. Het verbiedt ons wel om het slot van de Bijbel terug te brengen tot een statisch schema van twee werelden die eeuwig naast elkaar bestaan.

Genesis 9 bewijst geen uiteindelijke verzoening, en deze studie beweert dat ook niet. Genesis 6 tot 9 introduceert wel al vroeg in de Schrift een patroon: God oordeelt werkelijk, begrenst het kwaad, bewaart leven door het oordeel heen en verbindt Zich eenzijdig aan de toekomst van Zijn schepping. De profeten nemen dat verbond op als beeld van blijvende ontferming. Petrus verbindt Noach met Christus, dood en opstanding. Paulus beschrijft het kruis als de weg waarlangs God alle dingen met Zich verzoent. En rond de troon van het laatste oordeel staat opnieuw de boog.

Daaruit volgt geen goedkope zekerheid dat onze keuzes er niet toe doen; de Schrift neemt zonde, bekering en oordeel uiterst serieus. Ze laat ons wel hopen dat Gods oordeel niet Zijn alternatief voor herstel is, maar mogelijk juist de weg waarlangs Hij het kwaad werkelijk beëindigt, zodat Zijn schepping vrij kan zijn. Of dat oordeel voor ieder mens uiteindelijk tot herstel leidt, blijft de beslissende open vraag. De hoop dat God meer bereikt dan het redden van een kleine groep uit een verloren schepping, hoeven we echter niet van buitenaf in de Bijbel te leggen. Daarvoor is de taal over Christus en alle dingen eenvoudig te groot.

Bronnen

  • Genesis: A Commentary, Bruce K. Waltke en Cathi J. Fredricks
  • Kingdom Prologue: Genesis Foundations for a Covenantal Worldview, Meredith G. Kline
  • The Theology of the Book of Revelation, Richard Bauckham
  • Four Views on Hell (tweede editie), Preston Sprinkle (red.)
  • The Fire That Consumes, Edward W. Fudge
  • The Devil's Redemption: A New History and Interpretation of Christian Universalism, Michael J. McClymond
  • Universal Salvation: Eschatology in the Thought of Gregory of Nyssa and Karl Rahner, Morwenna Ludlow

Bijbelstudies