Bijbelstudie

De gaven van de Geest: wat God door ons heen doet

In het kort

De gaven van de Geest zijn vermogens die God aan gelovigen geeft om anderen te dienen, zodat Hij door hen heen de wereld bereikt. Het Nieuwe Testament belicht ze vanuit drie kanten: Christus geeft mensen aan de gemeente (Efeze 4), God geeft genadegaven om te dienen (Romeinen 12) en de Geest maakt Zich zichtbaar in gaven als profetie en genezing (1 Korinthe 12). De gave is nooit het doel: ze dient opbouw, troost en herstel van de relatie met God.

In deze studie
  1. Zilver en goud heb ik niet
  2. Waarom geeft God gaven?
  3. Eén God, drie invalshoeken
  4. Christus geeft mensen: Efeze 4
  5. God geeft genadegaven: Romeinen 12
  6. De Geest maakt Zich zichtbaar: 1 Korinthe 12
  7. Gaven voor vandaag?
  8. Vervuld met de Geest: geen vast recept
  9. God boven de gave: zorgvuldig omgaan met genezing
  10. Profetie oefenen: opbouw, vermaning en troost
  11. Drie bewegingen

Zilver en goud heb ik niet

Het is drie uur 's middags in Jeruzalem, het uur van het gebed. Petrus en Johannes lopen naar de tempel. Bij de poort die de Schone genoemd wordt, zit een man die al sinds zijn geboorte niet kan lopen. Elke dag wordt hij daar neergezet, op de plek waar de meeste mensen langskomen, om te vragen om een liefdegave. Als hij de twee mannen ziet, steekt hij zijn hand uit. Petrus kijkt hem doordringend aan en zegt: "Kijk ons aan!" De man kijkt op, in de verwachting dat er geld komt.

Petrus zei echter: Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik u: in de Naam van Jezus Christus de Nazarener, sta op en ga lopen!

Handelingen 3:6 (HSV © Stichting HSV)

Petrus pakt hem bij de rechterhand, trekt hem overeind, en de man springt de tempel in, God lovend (Handelingen 3:7-8). Even later, als er een menigte samenstroomt, zegt Petrus iets wat de sleutel is voor deze hele studie: het is niet door hun eigen kracht of vroomheid gebeurd (Handelingen 3:12). Petrus had iets te geven, maar het kwam niet uit hem voort. Het kwam door hem heen.

Daarover gaat deze studie. Wie gelooft, ontvangt de Heilige Geest. God woont in ons, en de vrucht van de Geest laat zien wie we worden: liefde, blijdschap, vrede, geduld. De gaven van de Geest laten iets anders zien, namelijk wat God door ons heen wil doen in het leven van anderen. Vrucht gaat over karakter, gaven gaan over dienst. Het een kan niet zonder het ander, maar het is goed ze te onderscheiden.

Waarom geeft God gaven?

Aan de vooravond van Zijn kruisiging zegt Jezus iets wat Zijn leerlingen moet hebben verbijsterd:

Maar Ik zeg u de waarheid: Het is nuttig voor u dat Ik wegga, want als Ik niet wegga, zal de Trooster niet naar u toe komen; maar als Ik heenga, zal Ik Hem naar u toe zenden.

Johannes 16:7 (HSV © Stichting HSV)

Het is beter dat Ik wegga. Drie jaar lang hadden ze Jezus met eigen ogen aan het werk gezien. Hoe kan het beter zijn als Hij er niet meer is? Het antwoord ligt in wat er daarna komt. Zolang Jezus in een lichaam op aarde was, kon Hij op één plek tegelijk zijn. Door de Geest woont Hij in iedereen die in Hem gelooft, op duizenden plaatsen tegelijk. Daarom kan Hij ook zeggen:

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, want Ik ga heen naar Mijn Vader.

Johannes 14:12 (HSV © Stichting HSV)

"Grotere werken" betekent waarschijnlijk niet dat leerlingen indrukwekkender wonderen zouden doen dan Jezus. Het lijkt eerder te gaan om reikwijdte: wat Jezus in Galilea en Judea deed, zou zich na Pinksteren over de hele wereld verspreiden. Let op de reden die Jezus geeft: want Ik ga heen naar Mijn Vader. De grotere werken hangen samen met Zijn vertrek en met de komst van de Geest.

Paulus beschrijft wat God daarmee voor ogen heeft:

God was het namelijk Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoende, en aan hen hun overtredingen niet toerekende; en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd. Wij zijn dan gezanten namens Christus, alsof God Zelf door ons smeekt. Namens Christus smeken wij: laat u met God verzoenen.

2 Korinthe 5:19-20 (HSV © Stichting HSV)

Hier ligt het antwoord op de vraag waarom er gaven zijn. God wil de wereld bereiken door mensen heen. Hij stuurt geen engelen met een folder, Hij stuurt gezanten van vlees en bloed. En omdat dat werk ons ver te boven gaat, maakt Hij ons er bekwaam voor. Het doel is herstel: dat mensen weer thuiskomen bij God. Een genezing, een bemoedigend woord of een praktische hand zijn daarom nooit een doel op zichzelf. De gave is het middel, God is het doel.

Eén God, drie invalshoeken

In 1 Korinthe 12 schrijft Paulus:

Er is verscheidenheid van genadegaven, maar het is dezelfde Geest. Er is verscheidenheid van bedieningen, en het is dezelfde Heere. Er is verscheidenheid van werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt.

1 Korinthe 12:4-6 (HSV © Stichting HSV)

Geest, Heere, God: in drie zinnen noemt Paulus de Vader, de Zoon en de Geest, elk verbonden met een kant van hetzelfde werk. Dat patroon helpt om de drie bekende lijsten met gaven in het Nieuwe Testament te lezen. In Efeze 4 is het Christus die geeft, en Hij geeft mensen aan de gemeente. In Romeinen 12 is het God die aan ieder iets toebedeelt (Romeinen 12:3), gaven om mee te dienen. En in 1 Korinthe 12 is het de Geest die Zich zichtbaar maakt in bijzondere werkingen.

Die indeling is een bril, geen set strikt gescheiden vakjes. Paulus houdt het zelf ook niet zo scherp gescheiden: in 1 Korinthe 12:28 is het God die apostelen, profeten en leraars een plaats geeft, en profetie komt in alle drie de lijsten terug. Bovendien gebruikt Paulus in Romeinen 12:6 en 1 Korinthe 12:4 hetzelfde Griekse woord: charisma, genadegave. Het is afgeleid van charis, genade. Een gave is genade die vorm krijgt in een mens. Niemand verdient haar, niemand kan erop roemen, en niemand blijft met lege handen.

Christus geeft mensen: Efeze 4

Maar aan ieder van ons is de genade gegeven naar de maat van de gave van Christus. Daarom zegt Hij: Toen Hij opvoer in de hoogte, nam Hij de gevangenis gevangen en gaf Hij gaven aan de mensen.

Efeze 4:7-8 (HSV © Stichting HSV)

Paulus haalt hier Psalm 68:19 aan, een overwinningslied over God die als Koning de hoogte in trekt. In de Hebreeuwse tekst staat dat God gaven ontving onder de mensen. Paulus schrijft dat Hij gaven gaf. Dat is geen slordigheid. Een oude Aramese vertaling van de Psalmen, de Targum, leest deze regel ook als "geven" en verbindt hem met Mozes, die de berg opging en met de Thora als geschenk voor Israël terugkwam. In de vorm waarin wij die Targum kennen is hij waarschijnlijk van later datum dan Paulus, maar hij laat zien dat deze lezing in Joodse kring niet vreemd was. Paulus zegt in feite: wat Mozes deed, doet Christus in het groot. Hij is opgevaren, en vanuit Zijn overwinning deelt Hij uit.

Wat Hij uitdeelt, zijn mensen:

En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, weer anderen als evangelisten en nog weer anderen als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot het werk van dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus,

Efeze 4:11-12 (HSV © Stichting HSV)

Het woord apostel betekent letterlijk "gezondene". Een apostel is iemand die gezonden wordt om iets te beginnen: nieuwe gemeenschappen, nieuw terrein voor het evangelie. Een profeet laat horen wat God nu zegt, in deze situatie, tegen deze mensen. Een evangelist brengt het goede nieuws naar buiten, naar wie het nog niet kent. Een herder zorgt voor mensen en kent ze bij naam. Een leraar legt de Schrift uit, zodat mensen zelf leren lezen en begrijpen.

Vaak wordt dit de vijfvoudige bediening genoemd. In het Grieks staat er bij "herders en leraars" maar één lidwoord, waardoor veel uitleggers hier één bediening met twee kanten zien: een herder die onderwijst. Anderen houden ze uit elkaar. Hoe je dat ook leest, het punt van Paulus verandert er niet door.

Dat punt zit in het doel: om de heiligen toe te rusten. Het Griekse woord voor toerusten wordt elders gebruikt voor vissers die hun netten herstellen (Markus 1:19). Het gaat om iets klaarmaken voor gebruik. De mensen die Christus geeft, zijn er niet om al het werk zelf te doen, terwijl de rest toekijkt. Zij rusten de gelovigen toe, en de gelovigen doen het werk. Zo groeit het lichaam van Christus naar volwassenheid, "tot opbouw van zichzelf in de liefde" (Efeze 4:16). Een gemeente waarin alleen de voorganger dient, is in deze logica geen gemeente die goed geleid wordt, maar een gemeente waarin de toerusting is mislukt.

God geeft genadegaven: Romeinen 12

Romeinen 12 begint niet met gaven, maar met overgave:

Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke godsdienst.

Romeinen 12:1 (HSV © Stichting HSV)

Die volgorde is veelzeggend. Paulus heeft elf hoofdstukken lang uitgelegd wat God in Christus voor ons gedaan heeft: de "ontfermingen van God". Pas daarna vraagt hij iets, en wat hij vraagt is niet in de eerste plaats een talent, maar jezelf. Gaven beginnen bij een leven dat beschikbaar is. Direct daarna waarschuwt Paulus om niet hoger van jezelf te denken dan je moet denken, "naar de mate van geloof zoals God die aan ieder heeft toebedeeld" (Romeinen 12:3). Wie een gave heeft, heeft die gekregen. Dat houdt bescheiden.

Dan noemt hij zeven gaven:

En nu hebben wij genadegaven, onderscheiden naar de genade die ons is gegeven: hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij dienstbetoon, in het dienen; hetzij wie onderwijst, in het onderwijzen; hetzij wie bemoedigt, in het bemoedigen; wie uitdeelt, in oprechtheid; wie leiding geeft, met inzet; wie zich over anderen ontfermt, met blijmoedigheid.

Romeinen 12:6-8 (HSV © Stichting HSV)

Wat opvalt, is hoe gewoon deze lijst klinkt. Naast profetie staan dienen, onderwijzen, bemoedigen, geven, leidinggeven en barmhartigheid. Profetie geeft Gods woord door. Dienstbetoon is praktisch aanpakken: de stoelen klaarzetten, de maaltijd brengen, de verhuisdoos tillen. Onderwijzen is uitleggen, zodat een ander het begrijpt. Paulus zet die dingen zonder onderscheid naast elkaar. Wie kookt voor een gezin in nood, werkt met een genadegave, net zo goed als wie profeteert.

Bij bemoedigen gebruikt Paulus het Griekse werkwoord parakaleō, letterlijk "erbij roepen". Het is verwant aan paraklētos, het woord dat Jezus gebruikt voor de Heilige Geest, de Trooster (Johannes 14:16). Wie bemoedigt, doet in het klein wat de Geest in het groot doet: naast iemand komen staan.

Bij de laatste drie gaven noemt Paulus ook de houding. Wie uitdeelt, doet dat "in oprechtheid", in het Grieks haplotēs: eenvoud, zonder bijbedoelingen, zonder er iets voor terug te willen. Wie leidinggeeft, doet dat met inzet. Wie zich over anderen ontfermt, doet dat met blijmoedigheid, in het Grieks hilarotēs, het woord waar ons "hilarisch" van komt. Barmhartigheid met een zuur gezicht maakt het de ander zwaar. Barmhartigheid met blijdschap laat iets van God zien.

De Geest maakt Zich zichtbaar: 1 Korinthe 12

De derde lijst is de lijst waar de meeste vragen over bestaan. Paulus opent zo:

Aan ieder echter wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat nuttig is voor de ander.

1 Korinthe 12:7 (HSV © Stichting HSV)

Het woord voor "openbaring" is hier phanerōsis: zichtbaarwording. De Geest zelf is onzichtbaar, maar in deze gaven wordt Hij zichtbaar. Dan volgen er negen:

Want aan de één wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven en aan de ander een woord van kennis, door dezelfde Geest; en aan een ander geloof, door dezelfde Geest, en aan een ander genadegaven van genezingen, door dezelfde Geest; en aan een ander werkingen van krachten, en aan een ander profetie, en aan een ander het onderscheiden van geesten, en aan een ander allerlei talen, en aan een ander uitleg van talen.

1 Korinthe 12:8-10 (HSV © Stichting HSV)

Een handige manier om deze negen te ordenen is in drie groepen van drie.

Weten wat God weet

Een woord van wijsheid gaat over wat je nu moet doen: inzicht in een situatie waar je zelf niet uitkomt. Een woord van kennis is iets weten wat je niet kon weten. Jezus deed dat bij de vrouw bij de put, toen Hij haar vertelde over haar vijf mannen (Johannes 4:16-18), en Petrus wist zonder dat iemand het hem had verteld dat Ananias had gelogen over de opbrengst van zijn akker (Handelingen 5:1-4). Het onderscheiden van geesten is herkennen wat van God is en wat niet. Niet alles wat geestelijk klinkt, komt van God, en niet alles wat ongewoon is, komt van de vijand.

Doen wat God kan

Geloof is hier niet het geloof waardoor je behouden wordt, want dat heeft iedere gelovige. Het is een bijzonder vertrouwen dat verder gaat dan je eigen mogelijkheden, een zekerheid dat God in deze situatie gaat handelen. Genadegaven van genezingen staan in het meervoud: elke genezing is een gave op zich. Werkingen van krachten is een breed begrip voor momenten waarop Gods macht zichtbaar ingrijpt.

Zeggen wat God zegt

Profetie is spreken namens God, en Paulus omschrijft het doel ervan zo:

Wie echter profeteert, spreekt tot mensen woorden van opbouw en vermaning en troost.

1 Korinthe 14:3 (HSV © Stichting HSV)

Opbouw, vermaning en troost. Vermaning betekent hier niet zozeer terechtwijzen als wel aansporen: iemand in beweging zetten. Profetie volgens het Nieuwe Testament is dus niet in de eerste plaats toekomstvoorspelling, maar woorden die mensen sterker maken.

Allerlei talen kent in het Nieuwe Testament twee vormen. Met Pinksteren spraken de leerlingen in talen die ze nooit geleerd hadden, maar die de omstanders wel verstonden (Handelingen 2:6-11). In 1 Korinthe 14 beschrijft Paulus een taal die niemand begrijpt, waarin iemand tot God spreekt en bidt (1 Korinthe 14:2, 14). In beide gevallen is het spreken of bidden in een taal die je zelf niet hebt geleerd. Uitleg van talen is zeggen wat het betekent, zodat anderen erdoor opgebouwd worden.

Wat ze gemeen hebben

Deze negen gaven gaan verder dan natuurlijk talent. Je kunt ze niet trainen zoals je leert presenteren of organiseren. Ze zijn bestemd voor de ander, niet om er zelf beter van te worden. En ze komen van de Geest, die zelf bepaalt wie wat ontvangt:

Al deze dingen echter werkt één en dezelfde Geest, Die aan ieder afzonderlijk uitdeelt zoals Hij wil.

1 Korinthe 12:11 (HSV © Stichting HSV)

Hieruit volgt een lezing die in deze studie centraal staat: deze gaven zijn niet in de eerste plaats een vast bezit, maar een werking die per moment kan verschillen. Vandaag ontvang je een woord van kennis voor iemand, volgende week bid je voor een zieke en gebeurt er iets wat je niet kunt verklaren. Paulus spreekt in de tegenwoordige tijd: de openbaring van de Geest wordt gegeven. Tegelijk is dat niet het hele verhaal, want in 1 Korinthe 12:29-30 noemt Paulus ook mensen die profeten of uitleggers zijn. Er lijkt dus ook een zekere vastigheid te zijn: sommigen worden vaker en herkenbaarder door de Geest op een bepaalde manier gebruikt. Beide dingen mogen naast elkaar blijven staan.

Gaven voor vandaag?

Over de gaven uit 1 Korinthe 12 verschillen oprechte christenen al lang van mening. In een deel van de kerk wordt geleerd dat gaven als profetie, talen en genezing bedoeld waren voor de tijd van de apostelen en daarna zijn opgehouden. Dat is geen oppervlakkige gedachte. Het sterkste argument ervoor is dat Paulus de gemeente gebouwd ziet "op het fundament van de apostelen en profeten" (Efeze 2:20): een fundament leg je één keer. Daarnaast wijst men erop dat tekenen en wonderen in het Nieuwe Testament vaak functioneren als bevestiging van het apostolische woord (Hebreeën 2:3-4). Toen dat woord eenmaal was opgeschreven, zo is de redenering, was die bevestiging niet meer nodig.

Deze studie leest het anders, en dat is een lezing die je mag toetsen. Paulus schrijft zelf wanneer profetie, talen en kennis zullen ophouden:

Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele, maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, zal wat ten dele is, tenietgedaan worden. […] Nu immers kijken wij door middel van een spiegel in een raadsel, maar dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten dele, maar dan zal ik kennen, zoals ik zelf gekend ben. — 1 Korinthe 13:9-10, 12 (HSV © Stichting HSV)

"Van aangezicht tot aangezicht" wijst naar de dag dat Christus terugkomt. Dat zien de meeste uitleggers zo, ook velen die geloven dat sommige gaven wel zijn opgehouden; zij baseren dat dan op andere teksten. Daarbij komt dat Petrus met Pinksteren Joël aanhaalt: in de laatste dagen zal God van Zijn Geest uitstorten op alle vlees, en zonen en dochters zullen profeteren (Handelingen 2:17-18). Die laatste dagen begonnen met Pinksteren en lopen door tot de wederkomst. En Paulus sluit zijn uitleg over de gaven af met een duidelijke oproep: streef ernaar om te profeteren, en verhinder het spreken in andere talen niet (1 Korinthe 14:39).

Er is ook een ander uiterste, en daar waarschuwt Paulus minstens zo scherp voor. Midden tussen zijn twee hoofdstukken over gaven staat 1 Korinthe 13. Wie de talen van mensen en engelen spreekt, maar de liefde niet heeft, is klinkend koper. Wie alle profetie en alle kennis heeft, maar de liefde niet, is niets (1 Korinthe 13:1-2). Gaven zonder liefde maken lawaai. Ze trekken de aandacht naar de mens die de gave heeft, in plaats van naar God die geeft.

Vervuld met de Geest: geen vast recept

Hoe ontvang je de Geest en Zijn gaven? Paulus schrijft dat iedere gelovige al met de Geest verbonden is:

Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij dat wij Joden zijn, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van één Geest doordrenkt.

1 Korinthe 12:13 (HSV © Stichting HSV)

Tegelijk beschrijft het boek Handelingen telkens momenten waarop mensen vervuld worden met de Geest, vaak met zichtbare gevolgen. Wat opvalt, is dat die momenten steeds anders verlopen. Met Pinksteren gebeurt het plotseling, zonder dat iemand de handen oplegt:

En aan hen werden tongen als van vuur gezien, die zich verdeelden, en het zat op ieder van hen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.

Handelingen 2:3-4 (HSV © Stichting HSV)

Even later roept Petrus de menigte op zich te bekeren en zich te laten dopen, "en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen" (Handelingen 2:38). In Samaria zijn mensen al gedoopt, maar ontvangen ze de Geest pas later, als Petrus en Johannes komen:

en toen die aangekomen waren, baden zij voor hen dat zij de Heilige Geest mochten ontvangen. (Want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleen gedoopt in de Naam van de Heere Jezus.) Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen de Heilige Geest.

Handelingen 8:15-17 (HSV © Stichting HSV)

En in het huis van Cornelius gaat het precies andersom. Petrus is nog aan het preken als de Geest al komt, en de doop volgt daarna:

Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden. En de gelovigen die van de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren meegekomen, waren buiten zichzelf dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd, want zij hoorden hen spreken in vreemde talen en God grootmaken. Toen antwoordde Petrus: Kan iemand soms het water weren, zodat deze mensen, die evenals wij de Heilige Geest ontvangen hebben, niet gedoopt zouden worden?

Handelingen 10:44-47 (HSV © Stichting HSV)

Soms eerst het water en dan handoplegging, soms eerst de Geest en dan het water. De Bijbel geeft hier geen vast stappenplan, en dat lijkt bewust. Wat wel steeds hetzelfde is: Hij geeft, wij ontvangen. Dat haalt de druk weg. Je hoeft niet de juiste techniek te vinden of de goede woorden te bidden. Je mag vragen, en je mag verwachten.

God boven de gave: zorgvuldig omgaan met genezing

Toen Jezus tweeënzeventig leerlingen uitzond, gaf Hij hun een duidelijke opdracht: "genees de zieken die daar zijn, en zeg tegen hen: Het Koninkrijk van God is dicht bij u gekomen" (Lukas 10:9). Ze kwamen vol blijdschap terug. Zelfs de demonen waren aan hen onderworpen. Jezus deelde in die vreugde, maar zette de dingen ook recht:

Verblijd u echter niet daarover dat de geesten aan u onderworpen zijn, maar verblijd u erover dat uw namen opgeschreven zijn in de hemel.

Lukas 10:20 (HSV © Stichting HSV)

De gave is mooi, maar de relatie is het fundament. Je blijdschap hoort niet te rusten op wat er door jou gebeurt, maar op wie je bent bij God.

Hetzelfde zie je bij de verlamde man die door het dak naar beneden werd gelaten. Het eerste wat Jezus tegen hem zegt, is niet "sta op", maar: "Zoon, uw zonden zijn u vergeven" (Markus 2:5). Pas als de schriftgeleerden zich daaraan ergeren, volgt de genezing:

Maar opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde zonden te vergeven (zei Hij tegen de verlamde): Ik zeg u: Sta op, neem uw ligmat op en ga naar uw huis.

Markus 2:10-11 (HSV © Stichting HSV)

De genezing wijst naar iets groters: herstel van de relatie met God. Ze is een teken, geen eindstation.

Daarnaast laat de Bijbel eerlijk zien dat genezing niet altijd komt, en dat het uitblijven ervan niets zegt over de zieke. Toen de leerlingen bij een blindgeboren man vroegen wie er gezondigd had, hij of zijn ouders, antwoordde Jezus dat het geen van beiden was; het was gebeurd opdat Gods werken in hem zichtbaar zouden worden (Johannes 9:2-3). Paulus, door wie God buitengewone dingen deed, schrijft over zijn medewerker Epafroditus dat die ziek was tot bijna de dood en dat God Zich over hem ontfermde (Filippenzen 2:27). Over een andere medewerker, Trofimus, schrijft hij kort dat hij hem ziek in Milete heeft achtergelaten (2 Timotheüs 4:20). Ook de apostel zag niet iedereen genezen.

Daaruit volgen een paar dingen. Bid voor zieken, want zonder gebed zien we niemand genezen, en Jezus heeft het Zijn leerlingen opgedragen. De uitkomst is nooit een oordeel over de zieke of over de kracht van zijn geloof. Kijk nog eens naar de man bij de Schone Poort: hij verwachtte geld, geen genezing (Handelingen 3:5). Petrus zegt achteraf dat het geloof dat er is door Jezus hem gezond maakte (Handelingen 3:16). Er is geen formule om te kraken, geen geheime sleutel die je nog niet gevonden hebt. God blijft boven de gave staan. Hij is goed, ook als we Zijn wegen niet begrijpen.

Profetie oefenen: opbouw, vermaning en troost

Van alle gaven noemt Paulus er één die hij iedereen aanraadt:

Jaag de liefde na en streef naar de geestelijke gaven, en vooral daarnaar dat u mag profeteren.

1 Korinthe 14:1 (HSV © Stichting HSV)

Opnieuw staat de liefde voorop. Profetie bouwt de gemeente op, en daarom wil Paulus dat zoveel mogelijk mensen ermee leren omgaan. Hij gaat er ook van uit dat dat geleerd kan worden, in een veilige omgeving waar alles getoetst wordt:

En laten twee of drie profeten spreken, en laten de anderen het beoordelen. En als aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt, laat dan de eerste zwijgen. Want u kunt allen, de één na de ander, profeteren, opdat allen leren en allen bemoedigd worden. En de geesten van de profeten zijn aan de profeten zelf onderworpen.

1 Korinthe 14:29-32 (HSV © Stichting HSV)

Wie in een kleine groep met profetie wil oefenen, doet er goed aan vooraf een paar afspraken te maken. Wat je deelt, moet passen binnen wat Paulus noemt: opbouw, vermaning in de zin van aansporen, of troost. Deel alleen wat je ontvangt, niet wat je al weet. Wie iemand goed kent, kan gemakkelijk een "woord" geven dat eigenlijk gewoon zijn eigen mening is. Een verstandige groepsafspraak is ook om tijdens zo'n oefening geen woorden te delen over iemands partner, kinderen, gezondheid of toekomst. Dat staat niet letterlijk in de Bijbel, maar het beschermt. Juist op die terreinen kan een verkeerd woord veel schade doen, en het is niet de bedoeling van profetie om andermans levenskeuzes te sturen. En de ontvanger beslist zelf wat hij met een woord doet. Hij mag zeggen: "Dit herken ik", of: "Dit is niet voor mij." Beide antwoorden zijn goed, en geen van beide hoeft uitgelegd te worden.

Het oefenen zelf kan eenvoudig zijn. Word samen stil en luister. Schrijf op wat je ontvangt: een woord, een beeld of een Bijbeltekst. Deel het daarna een voor een, kort en zonder er een preek omheen te bouwen. Laat de ander beoordelen of het raakt. Want God is, zoals Paulus een paar verzen later schrijft, "geen God van wanorde, maar van vrede" (1 Korinthe 14:33).

Drie bewegingen

Wat betekent dit alles voor wie wil leven met de gaven van de Geest? Het laat zich samenvatten in drie bewegingen.

De eerste is overgave. Romeinen 12 begint met een leven dat aan God gewijd is als een levend offer. Gaven groeien niet uit ambitie, maar uit beschikbaarheid. De vraag is niet in de eerste plaats welke gave jij hebt, maar of jij Hem hebt gegeven wat je bent.

De tweede is wandelen met Hem. Paulus schrijft in Galaten 5:25 dat wie door de Geest leeft, ook door de Geest moet wandelen: stap voor stap, in het gewone leven. Gaven zijn geen losse hoogtepunten, maar komen voort uit een dagelijkse omgang met God. Wie leert Zijn stem te herkennen in de stilte, herkent haar ook als Hij spreekt voor een ander.

De derde is je uitstrekken. "Streef naar de geestelijke gaven", schrijft Paulus (1 Korinthe 14:1). Dat is geen hebzucht, maar verlangen om bruikbaar te zijn. Je mag God vragen om meer: meer van Zijn Geest, meer moed om te bidden voor een zieke, meer gevoeligheid voor wat Hij een ander wil zeggen.

Petrus had geen zilver en geen goud. Hij had wel iets anders, en dat gaf hij weg. Zo werkt het nog steeds. Wat God in ons gelegd heeft, is niet bedoeld om te bewaren, maar om door te geven. Ook wie met lege handen bij de poort staat, kan zeggen: wat ik heb, dat geef ik u.

Bronnen

  • God's Empowering Presence: The Holy Spirit in the Letters of Paul, Gordon D. Fee
  • Showing the Spirit: A Theological Exposition of 1 Corinthians 12–14, D.A. Carson
  • The Gift of Prophecy in the New Testament and Today, Wayne Grudem

Bijbelstudies