Preek

Op weg naar Emmaüs

Waar gaat deze preek over?

We zijn allemaal onderweg en niemand ziet alles. Jezus loopt met de Emmaüsgangers mee in hun tempo en wordt herkend bij het breken van het brood. Een avondmaalspreek over een Jezus die naar mensen toe gaat, ook naar Judas, en over het avondmaal als startbewijs, niet als diploma.

In deze preek
  1. Geloven is een reis
  2. Op weg naar Emmaüs
  3. Een hart dat gaat branden
  4. Een Jezus die naar mensen toe gaat
  5. Brood, ook voor Judas
  6. Stenen wegrollen, doeken losmaken
  7. Herkend bij het breken van het brood

Ik sta erom bekend dat ik korte preken houd. Mijn eerste preek hier duurde zeventien minuten, geloof ik. Een hoop mensen dachten: is het nu al over? En een hoop andere mensen dachten: dat is fijn. Hoe lang het vandaag gaat duren, weet ik niet, maar we vieren avondmaal, dus ik heb wel een klein beetje ingekort.

Ik wil vandaag stilstaan bij het avondmaal, en dan op een manier die bij mij past en misschien heel anders is dan je gewend bent. We zijn allemaal onderweg, en niemand ziet alles. De titel van mijn preek is: Op weg naar Emmaüs.

Geloven is een reis

Voordat we gaan lezen, wil ik één ding aanhalen uit Johannes 20. Ik ben namelijk een groot fan van het evangelie van Johannes. Wat ik altijd heel bijzonder heb gevonden: je hebt Mattheüs, Markus en Lukas, en die vertellen allemaal verhalen over Jezus. Als je Mattheüs gelezen hebt en je gaat Markus lezen, denk je al snel: hé, dit verhaal ken ik al. Je komt wel wat andere dingen tegen, maar veel overlapt elkaar. En als je dan Lukas leest, denk je opnieuw: dit staat ook in Mattheüs en in Markus.

En dan komt het evangelie van Johannes. Het is alsof je een compleet nieuw boek leest, vol verhalen over de Heere Jezus die in de andere drie evangeliën niet of bijna niet verteld worden. Ik hoop daar de komende weken, misschien wel maanden, wat meer bij stil te staan. Het is ook het evangelie waar we mensen heel snel naartoe wijzen. Als iemand net tot geloof gekomen is en vraagt waar je moet beginnen met Bijbellezen, zegt bijna iedereen: begin bij Johannes. Waarom dat zo is, vertel ik nu nog niet. Dat is een cliffhanger, maar het komt.

Bij Mattheüs, Markus en Lukas kun je het doel van hun boek een beetje afleiden uit de verhalen. Dan ga je theologisch onderzoeken en haal je de lijnen eruit. Maar Johannes is gewoon heel simpel. Die zegt het:

Jezus nu heeft in aanwezigheid van Zijn discipelen nog wel veel andere tekenen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam. — Johannes 20:30-31 (HSV © Stichting HSV)

Johannes gooit zijn kaarten aan het einde van het boek op tafel: dit is de reden waarom ik het geschreven heb, opdat u tot geloof komt. Verhalen over de Heere Jezus die iets laten zien van Zijn goedheid, van Zijn grootheid, van Zijn genade, met maar één doel: dat je tot geloof komt.

En geloven is geen lichtschakelaar die klik doet, en dan geloof je. Geloven is een reis. Dat is meteen het bruggetje naar de Emmaüsgangers. Er zijn mensen die tot geloof komen door één preek, maar dat is heel zeldzaam. Meestal gaan daar meerdere preken aan vooraf, meerdere verhalen, meerdere gesprekken. Het is een weg. Daar gaat deze preek over: we zijn allemaal onderweg, en niemand van ons ziet alles, weet alles of hoort alles. We begrijpen niet altijd alles van God, van het leven of van onszelf.

En toch loopt er iemand naast ons. Vaak zonder dat we doorhebben wie dat is. Hoe vaak heb je achteraf gezien dat God iets gedaan heeft in je leven, terwijl je op het moment zelf dacht: waar is God überhaupt? En dan kijk je op een gegeven moment terug en denk je: Hij was er gewoon bij. Hij liep naast mij. Je kent misschien het gedichtje over de voetstappen in het zand. Iemand kijkt terug op zijn leven en ziet op de moeilijkste momenten maar één paar voetstappen, en vraagt de Heer waar Hij toen was. Het antwoord is dat dat de momenten waren waarop Hij hem droeg. Ook daar zie je het pas als je terugkijkt.

Op weg naar Emmaüs

We gaan lezen in Lukas 24, vanaf vers 13. In de verzen daarvoor gaan de vrouwen naar het graf en vinden het leeg. Er staan engelen die zeggen: waarom zoekt u de Levende bij de doden? Hij is opgestaan. De vrouwen gaan naar de discipelen en vertellen het, maar ze worden niet geloofd. Petrus rent naar het graf, kijkt, en gaat weer terug: de Heere is weg. Er is rumoer onder de discipelen. Is Hij nu echt opgestaan of niet? En dan zijn er twee die denken: ja, het zal wel. Letterlijk.

En zie, twee van hen gingen op diezelfde dag naar een dorp dat zestig stadiën van Jeruzalem verwijderd was en waarvan de naam Emmaüs was. En zij spraken met elkaar over al deze dingen die gebeurd waren. En het gebeurde, terwijl zij met elkaar spraken en van gedachten wisselden, dat Jezus Zelf bij hen kwam en met hen meeliep. Maar hun ogen werden gesloten gehouden, zodat zij Hem niet herkenden. En Hij zei tegen hen: Wat zijn dit voor gesprekken die u al lopend met elkaar voert en waarom ziet u er zo bedroefd uit? En de één, van wie de naam Kleopas was, antwoordde en zei tegen Hem: Bent U als enige een vreemdeling in Jeruzalem dat U niet weet welke dingen daar in deze dagen gebeurd zijn? En Hij zei tegen hen: Welke dan? En zij zeiden tegen Hem: De dingen met betrekking tot Jezus de Nazarener, Die een Profeet was, machtig in werken en woorden voor God en heel het volk; en hoe onze overpriesters en leiders Hem overgeleverd hebben om Hem ter dood te veroordelen, en Hem gekruisigd hebben. En wij hoopten dat Hij het was Die Israël zou verlossen. Maar al met al is het vandaag de derde dag sinds deze dingen gebeurd zijn. Maar ook hebben sommige vrouwen uit ons midden, die vroeg in de morgen bij het graf geweest zijn, ons versteld doen staan. En toen zij Zijn lichaam niet vonden, kwamen ze zeggen dat ze zelfs een verschijning van engelen gezien hadden, die zeiden dat Hij leeft. En sommigen van hen die bij ons waren, gingen naar het graf en troffen het ook zo aan als de vrouwen gezegd hadden, maar Hem zagen zij niet. En Hij zei tegen hen: O onverstandigen en tragen van hart! Dat u niet gelooft al wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? En Hij begon bij Mozes en al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften over Hem geschreven was. En zij kwamen dicht bij het dorp waar ze naartoe gingen en Hij deed alsof Hij verder zou gaan. En zij drongen er bij Hem op aan en zeiden: Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is gedaald. En Hij ging naar binnen om bij hen te blijven. En het gebeurde, toen Hij met hen aan tafel aanlag, dat Hij het brood nam en het zegende. En toen Hij het gebroken had, gaf Hij het aan hen. En hun ogen werden geopend, en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht. En zij zeiden tegen elkaar: Was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak en voor ons de Schriften opende? En op datzelfde moment stonden zij op en keerden terug naar Jeruzalem, en vonden de elf discipelen en hen die bij hen waren, bijeen. Die zeiden: De Heere is werkelijk opgewekt en is aan Simon verschenen. En zij vertelden wat er onderweg gebeurd was, en hoe Hij door hen herkend was bij het breken van het brood. — Lukas 24:13-35 (HSV © Stichting HSV)

Zestig stadiën, dat is een wandeling van een paar uur. We hebben net gezongen over licht, dat het licht gaat schijnen. Maar wat gebeurt hier op weg naar Emmaüs, als Jezus naast de discipelen gaat lopen? Bij hen gaat het licht juist uit. Hun ogen worden gesloten gehouden.

Waarom is dat? Kijk naar de andere opstandingsverhalen. Tegen Thomas zegt Jezus: leg je vinger maar in Mijn handen, voel de littekens maar, steek je hand maar in Mijn zijde. Daar worden de ogen juist geopend. Ik denk dat dit verhaal een voorbeeld mag zijn, misschien wel een profetisch voorbeeld voor de toekomst. Want na de ontmoeting met Thomas staat er:

Jezus zei tegen hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, hebt u geloofd; zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben en toch zullen geloven. — Johannes 20:29 (HSV © Stichting HSV)

En hier hebben we twee discipelen die niet zien en toch met Jezus wandelen. Ze zijn teleurgesteld, verdrietig, de hoop kwijt. Jezus loopt naast hen en ze hebben het niet door. Ze hebben allerlei verhalen gehoord over de opstanding en ze geloven het gewoon niet. Ze zeggen het letterlijk tegen Jezus: er waren vrouwen bij het graf die zeggen dat Hij leeft, ze hebben zelfs engelen gezien, en anderen zijn gaan kijken maar hebben Hem niet gezien. Het zijn maar verhalen, denken ze.

Een hart dat gaat branden

Wat Jezus dan níet doet, is zeggen: kijk eens naar Mijn handen. Nee, Hij begint ze uit te leggen vanuit de Schriften. Het Oude Testament, want het Nieuwe Testament was er toen gewoon nog niet. Hij kon niet zeggen: zullen we eens even kijken wat Mattheüs over Mij geschreven heeft? Die was er nog niet. Hij begon bij Mozes en de profeten. Hij vertelt verhalen uit het verleden, verhalen over de grote dingen die God met Israël gedaan heeft, en steeds staat Hijzelf in die verhalen.

Het is niet zo dat Hij Zichzelf erin plakte en er een mooi verhaal van maakte waar Hij Zichzelf in verweefde. Nee, Hij onthult wat er altijd al stond. Hij plakt Zichzelf er niet in; Hij was er altijd al in.

En terwijl Hij die verhalen vertelt, begint er iets te gebeuren in de discipelen. Hun hart begint te branden. Dat zeggen ze later ook: was ons hart niet brandend in ons, toen Hij voor ons de Schriften opende? Dat is geen emotie die opgepept wordt door een goede preek of heerlijke worship. Het gebeurt van binnenuit. Het is iets wat ontstaat. Een vlammetje dat zuurstof krijgt en ineens in de fik gaat. Door God. Het is de Heilige Geest die zuurstof blaast over een vlam, al was die nog maar heel klein, misschien alleen maar aan het gloeien. De Heilige Geest waait er met Zijn adem overheen, en het gaat weer branden. Het licht ontbrandt weer van binnenuit.

Dit is dus een weg naar geloof. Geen instant openbaring, maar een weg, een gesprek. En het is een vuur dat steeds harder en warmer gaat branden.

Als ik dat vertaal naar onze tijd, naar ons leven, dan lopen we allemaal op een weg. En we hebben allemaal een vuur in ons hart, de ene keer wat feller dan de andere keer. Er zijn misschien mensen die gaandeweg hun tent opzetten en stil blijven staan op de weg. Er zijn mensen die heel hard vooruit rennen. En er zijn mensen die met de rollator heel langzaam naar voren gaan. Maar we lopen allemaal een weg.

Ik denk zelfs dat die weg op verschillende vlakken in ons leven kan lopen. Op sommige vlakken zijn we al in Emmaüs, op andere vlakken zijn we misschien net vertrokken uit Jeruzalem. Op het ene terrein zijn we moe en lopen we langzamer, op het andere zijn we opgewekt en energiek en gaat het sneller.

En wat doet Jezus? Hij past Zich aan. Hij loopt langzaam met de langzame. Hij gaat zitten bij wie zit, en Hij rent met wie rent. Hij loopt niet vooruit; Hij loopt mee.

Een Jezus die naar mensen toe gaat

Het gaat hier om verhalen, en dat is mijn bruggetje terug naar Johannes. Want Johannes is een boek vol verhalen met een doel: mensen tot geloof brengen. En Johannes schrijft zijn evangelie vanuit een andere realiteit. In een andere preek ga ik daar dieper op in, maar het evangelie van Johannes is geschreven rond het jaar 90 na Christus, volgens de meeste Bijbelgeleerden. Er is dan al een hoop gebeurd. De tempel is al verwoest.

Johannes spreekt dus van Jezus vanuit een ander perspectief dan de andere drie. Mattheüs, Markus en Lukas lezen meer als een verslag: dit is er gebeurd. Johannes kijkt terug vanuit een Jezus die al is opgestaan en al is opgevaren, en dat lees je door alle woorden heen. Jezus is majesteitelijk bij Johannes, van een andere dimensie, laten we zeggen. Vanuit die positie van Jezus op de troon vertelt hij de verhalen van Jezus op aarde, en dat geeft die verhalen een andere gloed, een andere dynamiek. Het doet iets anders met ons. Dit is een man, zoals Johannes Hem opschrijft, die weet wie Hij is en wat Hij doet. Johannes beschrijft Jezus vanaf een troon van genade.

En wat gebeurt er in heel veel van die verhalen? Soms komen mensen naar Jezus toe. Nicodemus komt naar Hem toe om een gesprek te hebben. Maar in heel veel verhalen gaat Jezus naar mensen toe. Hij gaat naar Kana, eigenlijk niet met de bedoeling om een wonder te doen, en toch doet Hij daar een wonder van wijn. Hij gaat naar Samaria. Er wordt een overspelige vrouw voor Zijn voeten geworpen. Mensen komen bij Jezus, en Jezus komt bij mensen.

Neem Johannes 4. Jezus gaat naar Samaria, een plek waar een gewone Jood niet zou komen. De Samaritanen waren een gemengd volk, deels Israëlitisch, deels afkomstig van andere volken. Volgens de religieuze Joden hoorden ze er eigenlijk niet bij. Als gerespecteerde Jood, en zeker als rabbi, ging je niet naar Samaria. Maar wat doet Jezus? Hij zit daar op het heetst van de dag alleen bij een put, want Zijn discipelen zijn naar de stad om eten te kopen. En dan komt er een vrouw aanlopen.

Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zei tegen haar: Geef Mij te drinken. Want Zijn discipelen waren weggegaan naar de stad om voedsel te kopen. De Samaritaanse vrouw dan zei tegen Hem: Hoe vraagt U, Die een Jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want Joden hebben geen omgang met Samaritanen. Jezus antwoordde en zei tegen haar: Als u de gave van God kende, en wist Wie Hij is Die tegen u zegt: Geef Mij te drinken, u zou het Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water gegeven hebben. — Johannes 4:7-10 (HSV © Stichting HSV)
Jezus antwoordde en zei tegen haar: Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen, maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen. Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron worden van water dat opwelt tot in het eeuwige leven. — Johannes 4:13-14 (HSV © Stichting HSV)

Jezus zoekt haar op. Zij is niet op zoek, maar Jezus is wel op zoek naar haar.

En dan Johannes 8, de overspelige vrouw. Daar heb ik al eens eerder over gepreekt. De schriftgeleerden en de Farizeeën zetten haar in het midden en vragen Jezus wat er met haar moet gebeuren, want Mozes heeft geboden zulke vrouwen te stenigen. Jezus zegt: wie van u zonder zonde is, laat die als eerste de steen werpen. Hij bukt en schrijft opnieuw in de aarde, en een voor een gaan ze weg.

Jezus nu richtte Zich op en toen Hij niemand zag dan de vrouw, zei Hij tegen haar: Vrouw, waar zijn die aanklagers van u? Heeft niemand u veroordeeld? En zij zei: Niemand, Heere. En Jezus zei tegen haar: Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer. — Johannes 8:10-11 (HSV © Stichting HSV)

Genade. Genade gegeven vóór enig teken van berouw of enige vraag om vergeving.

Brood, ook voor Judas

Dan Johannes 13: Jezus en de laatste maaltijd.

… stond Jezus, Die wist dat de Vader Hem alle dingen in handen gegeven had en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heen ging, op van de maaltijd, legde Zijn kleren af, nam een linnen doek en deed die om Zijn middel. Daarna goot Hij water in de waskom en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek die Hij om Zijn middel had. — Johannes 13:3-5 (HSV © Stichting HSV)

Even later in hetzelfde hoofdstuk:

Toen Jezus deze dingen gezegd had, raakte Zijn geest in beroering, en Hij getuigde en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u dat een van u Mij zal verraden. De discipelen dan keken elkaar aan, in twijfel over wie Hij dat zei. — Johannes 13:21-22 (HSV © Stichting HSV)
Jezus antwoordde: Die is het aan wie Ik het stuk brood zal geven, nadat Ik het ingedoopt heb. En toen Hij het stuk brood ingedoopt had, gaf Hij het aan Judas Iskariot, de zoon van Simon. En met het nemen van het stuk brood voer de satan in hem. — Johannes 13:26-27 (HSV © Stichting HSV)

Als je het hele verhaal leest, zie je dat ook de discipelen hier verblind waren. Ze hadden niet door dat het om Judas ging. Ze dachten dat Judas iets moest gaan kopen; dat staat er ook in het evangelie. Jezus was aan de voeten van alle discipelen die daar waren. Ook aan die van Judas. En Jezus reikte hem brood aan, ook aan Judas.

Dit vind ik zo bijzonder aan Johannes. De laatste maaltijd van Jezus met Zijn discipelen wordt in alle vier de evangeliën beschreven, maar de voetwassing staat alleen bij Johannes. Waarom hebben de andere drie dat niet opgeschreven? Vonden ze het niet belangrijk? Johannes vond het in elk geval wel heel belangrijk. Hij zag de liefdevolle God vanaf de troon van genade, en hij vond het zo belangrijk om te vermelden dat God ook de voeten waste van Judas, de voeten van Zijn verrader. Voor mij is dat een eenvoudig statement van Jezus die zegt: hier ben Ik.

Ik denk dat dit verhaal hier ook staat zodat wij, als we avondmaal gaan vieren, iets in ons hart krijgen. Misschien denken we: ik ben het niet waard om avondmaal te vieren. De afgelopen week heb ik te veel dingen gedaan die niet goed waren. Dus ik sla deze keer misschien maar over. Ik denk dat Johannes juist daarom Judas zo duidelijk in het verhaal betrekt, en de anderen ook. Om te laten zien dat het brood echt voor iedereen is, ook voor Judas.

Want wie zondigt er meer dan Judas? Judas, die de Zoon van God letterlijk verraden heeft voor dertig zilverstukken, wetend wie Hij was, bewust. Wij handelen en zondigen ook, vaak zonder dat we echt doorhebben wat we doen. Maar Jezus slaat Judas niet over. Jezus zegt: hier ben Ik.

Stenen wegrollen, doeken losmaken

Ik ga nog een stukje terug, naar Johannes 11. Nog zo'n mooi verhaal, over Lazarus, een vriend van Jezus, die gestorven is.

Jezus dan, opnieuw heftig bewogen in Zichzelf, kwam bij het graf. Het was een grot, en er was een steen op gelegd. Jezus zei: Neem de steen weg. Martha, de zuster van de gestorvene, zei tegen Hem: Heere, hij ruikt al, want hij ligt hier al voor de vierde dag. Jezus zei tegen haar: Heb Ik u niet gezegd dat u, als u gelooft, de heerlijkheid van God zult zien? Zij namen dan de steen weg waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen omhoog en zei: Vader, Ik dank U dat U Mij verhoord hebt. En Ik wist dat U Mij altijd verhoort, maar ter wille van de menigte die om Mij heen staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij geloven dat U Mij gezonden hebt. En toen Hij dit gezegd had, riep Hij met een luide stem: Lazarus, kom naar buiten! En de gestorvene kwam naar buiten, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn gezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zei tegen hen: Maak hem los en laat hem weggaan. — Johannes 11:38-44 (HSV © Stichting HSV)

Jezus, de Zoon van God, door Wie alles geschapen is, had die steen zelf kunnen wegrollen. Ik denk dat een steen laten wegrollen op commando toch wel een niveau lager ligt dan iemand uit de dood opwekken. Zeker iemand die al vier dagen dood was. Elia en Elisa hadden al eens doden opgewekt, maar iemand die al vier dagen in het graf lag? Volgens een Joodse overlevering bleef de ziel van een gestorvene drie dagen in de buurt van het lichaam en was die daarna weg. De vierde dag was dus het punt waarop niemand nog hoop had.

Jezus had het kunnen doen. Hij had gewoon tegen de steen kunnen zeggen: opzij. Maar Hij vraagt het aan de mensen: rol de steen weg. Dan volgt de opstanding. En dan worden de grafdoeken losgemaakt. Drie stappen, drie handelingen rondom één daad van God, en twee van de drie vragen menselijk handelen.

Jezus vraagt: rol de steen weg. Maak de weg vrij voor Mij. Maak de weg vrij voor leven, maak de weg vrij voor genade. Want alleen God kan mensen tot leven wekken, lichamelijk en geestelijk. Dat kunnen wij niet. Maar wij kunnen wel de stenen wegrollen.

En als iemand dan tot leven komt, wat moeten we dan doen? Moeten we die persoon dan volhangen met allerlei regels en wetten? Jezus zegt hier: haal de doeken eraf. Misschien zijn dat doeken van schaamte, van schuld, van de oude ik, van zonde. Allerlei dingen waar mensen aan vast kunnen blijven zitten, waardoor ze gebonden blijven in de dood, de geestelijke dood.

Ik geloof dat wij als kerk geroepen zijn om stenen weg te rollen. Om de weg open te maken voor God om mensen tot leven te wekken, om licht te laten schijnen in donkere graven. En als het wonder dan gebeurt en iemand tot geloof komt, mogen wij mensen vrijzetten. Vrijzetten van schuld, van schaamte, van alles wat hen vasthoudt in dat graf.

In zekere zin zijn we allemaal als Lazarus geweest. We hebben allemaal een moment in ons leven gehad, misschien heel vroeg, misschien wat later, waarop God ons tot leven riep. Voor mij was dat ergens in mijn tienerjaren. En er zijn mensen om ons heen geweest die ons hebben geholpen om die doeken af te wikkelen. Misschien hebben we nog steeds een paar doeken om ons heen, dingen die ons vasthouden vanuit het verleden. We mogen elkaar daarin helpen. Ik denk dat wij als kerk, als gemeente, elkaar mogen helpen om de doeken af te winden, zodat we in vol leven en vrijheid mogen leven.

Herkend bij het breken van het brood

Zo zijn we allemaal ook als de Emmaüsgangers. Lopend in de wereld, in ons leven, en niet altijd beseffend Wie er met ons meeloopt.

Let op wat er gebeurt. De Emmaüsgangers herkenden Jezus niet aan de uitleg van de Schriften die Hij gaf. Hoe brandend hun hart ook was, ze herkenden Hem toen Hij het brood brak. Op het moment dat Hij het breekt en het aan hen geeft, gaan hun ogen open. Wij gebruiken bij het avondmaal matzes, maar zij hadden daar gewoon brood. Jezus breekt het brood en geeft het aan die mensen.

Ik ben een beelddenker, ik houd van plaatjes. Bij ons in de zaal hangt een schitterend schilderij van een vuurtoren. Maar stel je dit eens voor, maak er een soort film van in je hoofd. Daar staat een onbekende man met twee stukken brood in Zijn handen. Hij reikt jou een stuk aan: neem en eet. En op het moment dat jij dat brood uit Zijn handen pakt, zie je heel even, een fractie van een seconde, die hand. En wat zit er in die hand? Een gat, of een litteken. Dat staat er niet in de tekst, maar zo stel ik het me voor.

Wij delen als mensen het brood uit, maar het is in feite Jezus die het brood geeft. En wat zit er onder dat brood? Zijn leven, getekend in Zijn handen.

Avondmaal kan een ritueel worden. We vieren het elke maand, we danken de Heer voor het brood en voor de wijn, en zo meteen gaan we dat ook doen. Maar ik wil het niet doen als alleen een ritueel. Het is een ritueel, maar het is meer dan een ritueel. Het is geen afsluiting van de dienst of het begin van een nieuwe maand. Het is een herkenningsmoment. Ik bid en ik hoop dat we, wanneer we het avondmaal nemen, een openbaring mogen krijgen van Jezus Die met ons meeloopt, ook op de plekken waar we niet doorhadden dat Hij er was. Een openbaring van Wie Hij is.

En als je het brood aanneemt, dan doe je dat net als Judas. We zijn hopelijk minder erg dan Judas, daar ga ik wel van uit. Maar we mogen het brood aannemen, ongeacht waar we mee lopen, ongeacht wat ons hart misschien bezwaart. We nemen het brood aan, en daarmee nemen we een stukje van het verhaal van Jezus mee. Een stukje van de weg die Hij met ons gelopen heeft. Van de weg naar Emmaüs, die zoals ik al zei misschien op meerdere vlakken loopt, en op het ene gebied in je leven al verder is dan op het andere. Het staat symbool voor wat we van God mogen leren in onze dagelijkse wandel.

Je hoeft niet op het eindpunt te staan om mee te mogen doen met het avondmaal. Het avondmaal is geen diploma; ik zie het eerder als een startbewijs. Bij De Schuilplaats gebruiken we die vergelijking ook voor de doop: de doop is geen diploma, maar een startbewijs. Zo zie ik het avondmaal ook. Een startbewijs van een nieuwe openbaring van wat Jezus gedaan heeft. Een nieuwe start, zodat we met een nieuw hart, met een nieuw verlicht stuk in ons hart, de maand weer in mogen gaan. En dan iedere maand weer een stapje dichterbij mogen komen.

De Emmaüsgangers liepen verdrietig weg uit Jeruzalem, gekwetst, hopeloos. Jeruzalem was voor hen de plek van pijn, verdriet en teleurstelling. En Jezus liep met hen mee. Hij liet ze niet achter, maar wandelde helemaal mee tot het eind. Hij wachtte niet tot ze zouden omdraaien. Hij ging niet harder lopen dan zij. Hij paste Zich volledig aan aan de reis van die twee discipelen.

Dat doet Hij ook met ons. Hij past Zich aan. Wat je ook meedraagt vandaag, hoe ver je ook bent op de weg, hoe lang je misschien al stilstaat: Hij loopt of zit met je mee.

En het mooie is: aan het einde, als ze Jezus herkend hebben, draaien ze om en rennen ze terug naar Jeruzalem. Wij hebben Hem ook gezien!

Dat bid ik voor de komende maand. Dat we Jezus mogen zien, ook zo meteen als we met elkaar avondmaal vieren. En dat we straks naar huis kunnen gaan en kunnen zeggen: wij hebben de Heer gezien. Zodat Zijn licht, dat in onze harten is gaan schijnen, door ons heen de wereld in mag gaan.

Want samen zijn wij die vuurtoren. Jezus zegt: Ik ben het licht van de wereld. En Hij zegt ook tegen ons: u bent het zout van de aarde, u bent het licht van de wereld. Hij legt die verantwoordelijkheid dus ook bij ons neer. En net als bij Lazarus geldt: het aansteken van het licht, dat kan alleen God. Wat wij kunnen doen, is elkaar helpen om stenen weg te rollen en grafdoeken los te maken, zodat we in vol leven en vrijheid kunnen wandelen en kunnen schijnen.

Amen.

Meer inspiratie