Preek

Kom je voor de broden of voor het Brood?

Waar gaat deze preek over?

Duizenden mensen eten van vijf broden en twee vissen, en willen Jezus daarna met geweld koning maken. Een preek bij het avondmaal over genade die overvloedig deelt en waarheid die vraagt: zoek je Jezus om wat Hij geeft, of om wie Hij is?

In deze preek
  1. Een preek met een scherp randje
  2. Vijf broden in de handen van Jezus
  3. Koning maken met geweld
  4. Ik ben het, midden in de storm
  5. U zoekt Mij om het brood
  6. Naar wie zouden we heen gaan?
  7. Genade aan tafel

De afgelopen weken preek ik vanuit het evangelie van Johannes, hoofdstuk voor hoofdstuk. In hoofdstuk 1 zagen we dat Jezus er al was aan het begin van de tijd: in het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God, en alle dingen zijn door het Woord ontstaan. In datzelfde hoofdstuk staat een zin die we sindsdien steeds weer tegenkomen:

Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen. — Johannes 1:17 (HSV © Stichting HSV)

Genade en waarheid. Die twee woorden zien we in elk volgend hoofdstuk terug, en vandaag ook. Vandaag staat Johannes 6 op de planning: de wonderbaarlijke spijziging, een verhaal dat we denk ik allemaal wel kennen. Het vermenigvuldigen van brood en vissen.

Een preek met een scherp randje

Ik was op zoek naar genade en waarheid in dit hoofdstuk, en ik vond ze ook. Het is mooi dat het juist vandaag aan de beurt is, want in Johannes 6 zegt Jezus: Ik ben het levende brood. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven. En straks vieren we het avondmaal. Als we dan eten en drinken, gedenken we Jezus, Zijn lichaam en Zijn bloed.

Maar terwijl ik met de waarheid in dit hoofdstuk bezig was, dacht ik: die voel ik ook. Waarheid kan soms een scherp randje hebben. Dus bij voorbaat al mijn excuses als de preek van vandaag iets raakt, als hij een beetje schuurt. Bij mij heeft hij dat in ieder geval wel gedaan.

Johannes 6 is 71 verzen lang. Als we het hele hoofdstuk gaan lezen, moeten we tussendoor Chinees bestellen om samen te kunnen eten, want dat duurt even. Dus ik pak het begin, de spijziging, en daarna haal ik een paar verzen uit de rest erbij. Ik raad u wel aan om thuis heel Johannes 6 te lezen, want vooral het tweede deel, waar Jezus gaat vertellen dat Hij het brood is, daar zit heel veel in. Vorige keer waren we met Jezus in Samaria. Nu gaat Hij naar de overkant van het meer.

Hierna vertrok Jezus naar de overkant van de zee van Galilea, ofwel van Tiberias. En een grote menigte volgde Hem, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de zieken. En Jezus ging de berg op en ging daar zitten met Zijn discipelen. En het Pascha, het feest van de Joden, was nabij. Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag dat een grote menigte naar Hem toe kwam, zei Hij tegen Filippus: Waar zullen wij broden kopen, opdat deze mensen kunnen eten? Maar dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist Zelf wat Hij zou gaan doen. Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is voor hen niet genoeg, zodat ieder van hen een beetje zou kunnen krijgen. Een van Zijn discipelen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei tegen Hem: Hier is een jongetje dat vijf gerstebroden en twee visjes heeft, maar wat betekenen die voor zovelen? En Jezus zei: Laat de mensen gaan zitten. En er was veel gras op die plaats. Dus gingen de mannen zitten, ongeveer vijfduizend in getal. En Jezus nam de broden, en nadat Hij gedankt had, deelde Hij ze uit aan de discipelen, en de discipelen aan hen die daar zaten; op dezelfde manier werden ook de visjes uitgedeeld, zoveel zij wilden. En toen zij verzadigd waren, zei Hij tegen Zijn discipelen: Verzamel de overgebleven stukken, zodat er niets verloren gaat. Zij verzamelden ze nu en vulden twaalf manden met stukken van de vijf gerstebroden die overgebleven waren bij hen die gegeten hadden. Toen de mensen dan het teken dat Jezus gedaan had, gezien hadden, zeiden zij: Híj is werkelijk de Profeet, Die in de wereld komen zou. Omdat Jezus nu wist dat zij zouden komen en Hem met geweld mee zouden nemen om Hem koning te maken, trok Hij Zich opnieuw terug op de berg, Hij Zelf alleen. — Johannes 6:1-15 (HSV © Stichting HSV)

Vijf broden in de handen van Jezus

Je zou bijna kunnen zeggen: dit is een preek over aantallen. Duizenden mensen komen naar Jezus toe, en ze zijn enthousiast. Ze hebben wonderen gezien, ze hebben tekenen gezien, de mensen praten erover en ze gaan massaal naar Hem op zoek. Vijfduizend man, en dan zijn de vrouwen en kinderen nog niet eens meegeteld. Waar Hij ook heen gaat, ze lopen Hem achterna. Je zou denken: wow, de bediening van Jezus gaat echt goed. Het klinkt als een succesverhaal, en dat is wat je wilt.

Maar Jezus kijkt anders naar de situatie. Hij kijkt niet naar de aantallen, en dat gaan we straks ook lezen. Hij kijkt naar het hart. Dat maakt Johannes 6 confronterender dan het op het eerste gezicht lijkt, en dat is dat scherpe randje waar ik het over had. Want waarvoor kom je eigenlijk? Kom je voor wat Ik je kan geven, of kom je voor Mij? Dat is de vraag die Jezus in dit hoofdstuk stelt.

Voordat we daar komen, eerst terug naar het begin. Jezus kijkt om Zich heen en vraagt aan Filippus: waar zullen wij broden kopen? Ze zitten op een grote grasvlakte op een berg. Er is geen supermarkt, er zit geen Aldi om de hoek. En dan vertelt Johannes iets wat de andere evangeliën niet vertellen: Jezus zei dit om Filippus op de proef te stellen. Hij wist al wat Hij ging doen. Johannes legt het uit, zodat we begrijpen dat Jezus die vraag niet zomaar stelde. Jezus stelt een vraag waarvan Hij het antwoord al weet. Hij heeft de oplossing al, en Hij laat Filippus het probleem zien.

Filippus begint te rekenen. Zelfs voor tweehonderd penningen aan brood is het niet genoeg, zodat ieder een klein beetje zou krijgen. Daar kun je nooit genoeg voor halen voor al deze mensen. En dan komt Andreas. Ik lees het een beetje alsof hij heel enthousiast aan komt lopen: "We hebben vijf broden en twee vissen!" En terwijl hij het zegt, draait hij zich om, ziet hij al die mensen en beseft hij ineens: we hebben maar... Wat betekenen die voor zovelen?

Dat is voor ons misschien wel een herkenbare vraag. Wat betekent het kleine beetje dat we hebben, of wie we zijn, tegenover zo'n grote vraag in de wereld, zo'n grote behoefte? Wat betekent onze inzet, ons geloof, onze tijd, alles wat nodig blijft? Soms kan het voelen alsof het eigenlijk geen zin heeft, omdat het allemaal te groot is.

Maar de belangrijkste vraag is: in welke handen ligt onze tijd, onze inzet, ons gebed? Houden we die zelf vast, of leggen we die in de handen van Jezus? Want wíj hoeven dat wonder niet te doen. Andreas en Filippus hielden het eigenlijk nog vast: Filippus zijn rekensom van tweehonderd penningen, Andreas zijn vijf broden en twee vissen. Hoe moet dit? Wij geven het in de handen van Jezus, en Hij kan het wonder wel doen.

Dat betekent niet, en dat is een thema dat we al een paar keer zijn tegengekomen, dat we achterover kunnen leunen. "Oké, Jezus doet het wonder, ik geef mijn tijd en ik ga in mijn hangmat liggen." Genade is geen hangmat. Jezus zegt: laat iedereen gaan zitten. Hij zet de discipelen wel aan het werk. Jezus gaat niet zelf met het brood rond. Hij geeft het brood aan de discipelen, en de discipelen delen het verder uit.

Dat moet een bijzonder moment geweest zijn, denk ik. Je bent een van de discipelen, je hebt vijf broden voor twaalf man, dus als je het netjes verdeelt krijg je minder dan een half brood. Je krijgt een stuk brood in je handen en Jezus zegt: deel maar uit. Je komt bij de eerste, je ziet die grote menigte en je denkt: doe maar een heel klein stukje. En bij de volgende weer een heel klein stukje. Het staat er niet, hè, dit is mijn eigen invulling, maar ik kan het me zo goed voorstellen dat ze in het begin elke keer een heel klein stukje afbraken. En op een gegeven moment zijn ze bij persoon honderd, en ze kijken naar het brood en de vis in hun handen en denken: het wordt niet kleiner. Misschien is het zo gegaan. Dan gaan ze wat ruimer geven, en ze merken dat het nog steeds niet opraakt. En nog ruimer, en nog ruimer. Uiteindelijk zo ruim dat er twaalf manden vol overblijven. Van vijf broden en twee vissen. Als je die in één mand had gestopt, en we hebben het echt over grote manden, dan was er nog heel veel ruimte over geweest. Hier is iets gebeurd met vermenigvuldiging.

Wat een wonder. Scharen hongerige mensen, duizenden, worden gevoed door Jezus. Zonder dat ze iets hebben gedaan of iets hebben gevraagd. Ze moesten gaan zitten, en ze kregen het.

Koning maken met geweld

Maar daar staat nog een vers achter, het laatste vers dat we gelezen hebben. De mensen zeiden: Hij is werkelijk de Profeet die in de wereld komen zou. En omdat Jezus wist dat ze zouden komen en Hem met geweld zouden meenemen om Hem koning te maken, trok Hij Zich opnieuw terug op de berg, Hij Zelf alleen.

Ik ben toen gaan kijken naar dat woordje "met geweld meenemen". Het viel me ineens op. Ik heb dit vers heel vaak gelezen en het was me nooit opgevallen. Wat staat daar nou? De mensen hebben net gegeten, ze hebben gezien wat Jezus kan, en hun conclusie is: deze man moeten we koning maken. En ze willen Hem met geweld meenemen.

Het Griekse werkwoord dat Johannes daar gebruikt is harpazō, en dat betekent grijpen, wegroven. Zoals een wolf een schaap wegrooft, zoals een inbreker de kostbaarheden uit je huis wegrooft. Het woord dat Johannes kiest voor wat de mensen willen doen, is dus helemaal niet zo positief. Ze willen Jezus grijpen. Hun conclusie is: deze man moeten we koning maken, wat er ook gebeurt. We moeten Hem op die plek forceren. Want een koning die dít kan, die gaat echt voor Israël zorgen. Die zorgt dat Israël nooit meer tekortkomt.

En Jezus gaat weg. Niet omdat Hij bang is, maar ik denk dat Hij weggaat uit weerstand, omdat dit niet het koningschap is dat Hij voor ogen heeft. Jezus had een doel op aarde, en dat wisten de mensen nog niet. Ze hadden het kunnen weten als ze de Thora en de Profeten goed hadden bestudeerd, maar ze zagen het niet. Ze zagen Hem als een aardse koning die de Romeinen het land uit zou schoppen. En Jezus zegt: dat is niet wat Ik kom doen. Hij gaat weg, alleen. Liever alleen met de Vader dan koningschap op een verkeerde manier. Later zegt Hij het ook hardop: jullie zoeken Mij niet om de tekenen, maar om de broden.

Ik ben het, midden in de storm

Later die avond gaan de discipelen het meer op. De andere evangeliën vertellen dat Jezus hen vooruitstuurt. Johannes zegt daar niets over: Jezus is alleen op de berg en de discipelen gaan het meer op. Over dit verhaal zijn al heel veel mooie preken gehouden, Jezus die over het water loopt.

En toen het avond werd, daalden Zijn discipelen af naar de zee. En toen zij in het schip gegaan waren, staken zij de zee over naar Kapernaüm. En het was al donker geworden en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen. En de zee werd onstuimig, want er waaide een harde wind. En toen zij ongeveer vijfentwintig of dertig stadiën geroeid hadden, zagen zij Jezus op de zee lopen en dicht bij het schip komen, en zij werden bevreesd. Maar Hij zei tegen hen: Ik ben het, wees niet bevreesd. — Johannes 6:16-20 (HSV © Stichting HSV)

Vijfentwintig tot dertig stadiën is zo'n vijf kilometer. Ze zitten ergens midden op het meer, in het pikkedonker, zonder lantaarnpaaltjes. Misschien hadden ze een fakkel, maar dat weten we niet. Ze zijn in het donker op het meer, en dan steekt er een storm op. Er is nog een ander verhaal van Jezus in een storm, maar toen lag Hij te slapen in de boot. Toen konden ze denken: oké, Jezus is erbij, we kunnen Hem wakker maken. Nu is er een storm en Jezus is er níet bij. En dan zien ze ineens in de duisternis iets over het water lopen, en ze worden heel bang.

En dan zegt Hij: Ik ben het. In het Grieks: egō eimi. Letterlijk vertaald: Ik ben. Die uitspraak lezen we heel vaak in Johannes, en Johannes gebruikt hem heel bewust. Want die trekt ons helemaal terug naar Exodus, naar het moment dat Mozes God ontmoet bij de brandende braamstruik en vraagt wat Zijn naam is.

En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden. — Exodus 3:14 (HSV © Stichting HSV)

Het Oude Testament is al voor de komst van Jezus in het Grieks vertaald; die vertaling noemen we de Septuagint. Op belangrijke plaatsen waar God Zichzelf bekendmaakt als "Ik ben", zoals in Exodus 3:14 en in Jesaja, staat daar egō eimi. Johannes legt dus heel bewust een link naar het Oude Testament. Jezus spreekt dezelfde naam uit die God aan Mozes bekendmaakte.

Op het moment dat de discipelen het bangst zijn, in het holst van de nacht, midden op dat onstuimige water, zegt Jezus niet alleen: wees niet bang. Hij noemt Zijn naam. Ik ben. Niet de naam van een koning, maar de naam van God Zelf.

U zoekt Mij om het brood

Ik vind het zo mooi. Duizenden mensen krijgen te eten: genade. Genade in overvloed. Ik zie in het breken van het brood, het eten van de vis en het uitdelen een beeld van Gods genade, die vrij gegeven wordt, en er is geen tekort. God is daar ook niet zuinig mee. Misschien waren de discipelen in het begin heel voorzichtig met uitdelen, maar later deelden ze rijkelijk uit. Ik denk dat we dat beeld mogen zien.

Maar genade en waarheid gaan hand in hand. Want aan de overkant van het meer lezen we dat de mensen in bootjes stappen, het meer over varen en weer naar Jezus toe komen. Dat klinkt eigenlijk opnieuw prachtig. Je had vijfduizend volgelingen, een volle dienst laat ik maar zeggen, je trekt verder, en ze komen er nog steeds aan. Missie geslaagd. Maar Jezus zag het hart.

Jezus antwoordde hun en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: U zoekt Mij, niet omdat u tekenen gezien hebt, maar omdat u van de broden gegeten hebt en verzadigd bent. Werk niet om het voedsel dat vergaat, maar om het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u geven zal; want Hem heeft God de Vader verzegeld. — Johannes 6:26-27 (HSV © Stichting HSV)

Lekker direct. Jullie hebben brood gegeten, en het was heel goed brood. Misschien zat er wel iets in de smaak van dat brood dat ze nog nooit eerder hadden geproefd, en waren die vissen het lekkerste visje dat ze ooit hadden gehad. Ze volgen Jezus eigenlijk om die reden. Gisteren kregen jullie iets van Mij wat jullie beviel, en nu zijn jullie terug voor meer. Genade gaf hun brood, maar de waarheid vertelt waarom ze gekomen zijn.

Jezus zegt dit niet om hen weg te jagen, maar omdat Hij hun iets veel beters wil geven. De waarheid bij Jezus is nooit bedoeld om te kwetsen of om dingen stuk te maken, maar om mensen verder te helpen. Ze maakt zichtbaar wat ons gevangen houdt, want God wil ons vrijmaken. Jullie hebben gisteren brood gekregen, maar als jullie niet dít brood zoeken, hebben jullie het wonder gemist.

Dat is een ongemakkelijke gedachte, misschien ook voor ons. Je kunt Jezus zoeken en toch vooral op zoek zijn naar de dingen die Hij geeft. Je kunt naar de kerk komen, zingen, bidden, dienen, ontzettend betrokken zijn, en toch kan onze aandacht langzaam verschuiven naar de gave in plaats van naar de Gever. Dan verschuift onze blik heel langzaam van Jezus naar alles rondom Jezus. Van de Gever naar de gave.

En een goede dienst is goed. Als ik hier rondkijk, denk ik: wauw, wat fijn. Fellowship is iets goeds. Koffie na afloop is goed, met broodjes erbij, ook lekker. Het zijn allemaal goede dingen, maar in dit beeld zijn het eigenlijk de broden. Want er zit Iemand achter. Er zit Iemand achter de fellowship, achter een goede preek of een mooie zangdienst, en dat is Jezus Zelf. Het gaat om Hem. Hij is het brood, het levende brood. Zodra tijdelijke dingen, die de ene week fantastisch kunnen zijn en de andere week tegen kunnen vallen, onze houvast worden in ons geloof en in onze wandel met God, kunnen we echt van links naar rechts geslingerd worden als dingen anders lopen dan we hadden verwacht.

Dan kunnen kleine dingen ineens groot worden. We zijn een kleine gemeente, dus kleine verschillen, kleine rimpelingen laten we zeggen, kunnen heel groot voelen. In De Schuilplaats in Culemborg zitten ze met twee- à driehonderd mensen. Als er dan op een zondag vier of vijf mensen niet zijn, worden die wellicht door een aantal gemist, maar alles gaat door. Als er hier vier of vijf mensen een keer niet zijn, voelt dat meteen als een groot gat. In kleine gemeenschappen zoals de onze voel je alles. Alles is merkbaar. Elke lege stoel, elke verandering, elk moment dat de dienst misschien anders loopt dan normaal. En dan kan het gevoel opkomen: gaat het wel goed, houden we dit wel vol?

Het hoeft niet altijd een probleem te zijn. Niet iedere lege stoel hoeft een teken te zijn dat er iets misgaat. Maar als we iets voelen, is het misschien wel een goed moment om na te denken: voor wie doen we het eigenlijk? Zijn we hier om alle stoelen vol te krijgen? Er zijn er nog drie leeg. Eentje daar, daar zit ik dan op, dus nog twee. Of gaat het erom dat we hier Jezus zoeken, op deze plek?

Groei is prachtig, maar groei is geen God. Ik bid wel voor een volle gemeente. Ik bid wel dat we de omtrek, Haaften en de omgeving gaan bereiken met het evangelie, voor mensen die het nog niet gehoord hebben, en dat brandt in ons hart. Maar het gaat om Jezus. Dat mogen we nooit vergeten. En dat is wat bij mij ook schuurde: dat we soms zo druk bezig kunnen zijn met de doorstart van de gemeente waar we doorheen gegaan zijn, zo erg bezig met de randdingen om alles goed te krijgen, dat we Jezus soms uit het oog verliezen. Dat onze aandacht dan meer naar de broden gaat dan naar het Brood.

Naar wie zouden we heen gaan?

En dan gebeurt er iets. Jezus houdt een hele toespraak: Ik ben het Brood des levens, Ik en de Vader, Ik ben gekomen, en je moet Mijn vlees eten en Mijn bloed drinken. Hij wijst ze allemaal op Zichzelf. Het gaat om Mij! Je moet een relatie met Mij hebben! Ik ben belangrijker dan wat je gisteren gegeten hebt.

Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en gingen niet meer met Hem mee. Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan? Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, naar wie zullen wij heen gaan? U hebt woorden van eeuwig leven. En wij hebben geloofd en erkend dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God. — Johannes 6:66-69 (HSV © Stichting HSV)

Velen trekken zich terug en gaan niet meer met Hem mee. Er blijft een handjevol over. Wat een slechte preek, zou je kunnen denken: één preek, en velen gaan weg. En dan vraagt Hij aan de twaalf die over zijn: willen jullie ook niet weggaan? En Petrus zegt: ja, maar naar wie dan? Waar moeten we naartoe? U hebt woorden van eeuwig leven. Zij waren al wat langer met Jezus opgetrokken, en ze hadden door wie Hij was en dat ze naar Hém moesten kijken. Wij hebben U gevonden, het levende brood.

Nogmaals: ik bid voor groei, en ik bid dat Haaften en de omgeving Jezus nog meer gaan leren kennen, dat Gods liefde en genade in Jezus voelbaar en tastbaar worden in de omgeving. Maar Jezus is het centrum. Jullie zongen er net zo mooi over, en het lied is gebaseerd op wat Paulus schrijft:

Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen. — Romeinen 11:36 (HSV © Stichting HSV)

Jezus zegt: Ik ben het Brood des levens.

Ik ben het Brood des levens; wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben. — Johannes 6:35 (HSV © Stichting HSV)

Hij zegt niet: Ik zal jullie elke dag manna geven, kwartels, water in wijn veranderen. Dat zegt Hij niet. Ik bén het brood, zegt Hij. Mensen willen graag de gave, en Jezus wil Zichzelf geven. Wij willen, en dat merk ik bij mezelf ook weleens, iets uit Zijn handen ontvangen. Jezus wil ons Zijn hart geven. En daarbij komen ook de dingen uit Zijn handen, want Hij wil ons zegenen, Hij wil ons bemoedigen, Hij wil in onze behoeften voorzien. Maar Hij wil Zijn hart als eerste.

Ik denk dat dat het hart is van het evangelie: een God die naar beneden komt. Het Woord dat er al was in het begin, bij de schepping, heeft onder ons gewoond. Bij hoofdstuk 1 hebben we geleerd dat het Griekse woord dat daar staat eigenlijk betekent: Hij heeft Zijn tent opgeslagen. Zoals toen Israël door de woestijn trok met de tabernakel, de tent van de samenkomst, die in het midden stond met alle stammen eromheen. God wil in het midden wonen. En Johannes zegt: Hij heeft in ons midden gewoond. Hij heeft Zijn aardse tent, Zijn lichaam, onder ons opgeslagen.

Genade aan tafel

De genade zegt: kom, Ik geef Mijzelf aan jou. Neem, eet, drink. En Ik blijf delen, Ik blijf delen, Ik blijf delen. En de waarheid zegt: houd je oog op Mij. Niet op het brood, niet op de wijn op zich. Die komen uit Mijn hand, en die mag je aannemen, en dat is mooi. Maar kijk naar Mijn hart. Laten we een hartsrelatie aangaan.

En dan maakt het niet uit of we maar vijf broden en twee vissen hebben, of maar tweehonderd penninkjes. Als we het in de handen van Jezus leggen, zal Hij ervoor zorgen. De discipelen hebben de overgang gemaakt van "geef ons brood" naar "naar wie zouden we anders gaan? U bent het."

Straks gaan we aan tafel, en daar ligt brood en staat wijn. Daarmee gaan we vieren en gedenken wat Jezus voor ons gedaan heeft: een God die van Zijn hemelse troon opstond, afdaalde naar de aarde en onder ons heeft gewoond. Vanuit die genade mogen we weer verder. En ik hoop en bid dat we de waarheid af en toe ook mogen gebruiken om onszelf in de spiegel aan te kijken. Kijken we inderdaad nog steeds naar Jezus? Dan maakt het niet uit of er nog twee lege stoelen zijn of tien. Want we doen het voor Jezus, en dan mogen we erop vertrouwen dat Hij de vermenigvuldiging gaat doen.

Als de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen zijn bouwers eraan; als de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter. — Psalm 127:1 (HSV © Stichting HSV)

Als ik naar mezelf kijk, naar de afgelopen weken en maanden waarin we bezig zijn met de opbouw van de gemeente, denk ik dat ik af en toe misschien iets te hard gezwoegd heb. Dat ik misschien even had moeten omdraaien en vragen: Heer, bent U er nog steeds bij, of had ik in de tussentijd iets anders moeten doen? We zijn allemaal mensen, we mogen allemaal leren. Genade en waarheid. Het schuurde bij mij, misschien ook bij u, maar dat geeft niet. Want Jezus wil dat ons hart en Zijn hart samensmelten. Daar gaat het om: dat we ons richten op de Gever. Dan komen de gaven vanzelf.

We mogen weer verder vanuit die genade. Dienend, helpend, zingend, naar elkaar omziend, fellowship hebbend, met onze vijf broden en twee vissen. Niet vanuit angst of kramp, maar door alles in de handen te leggen van onze lieve Heer Jezus, die het voor ons gaat doen. Genade is geen hangmat, dus we komen zeker in beweging. Maar we verwachten het van Hem.

Amen.

Meer inspiratie