Preek
Kijk en leef
Waar gaat deze preek over?
Nicodemus had kennis en een onberispelijk leven, en toch zei Jezus: je moet opnieuw geboren worden. Een preek over leven dat van boven komt, over de koperen slang en het kruis, en over waarom we eerst kijken en pas daarna bouwen.
In deze preek
In de afgelopen weken preekten twee broeders hier over bouwen. De eerste nam ons mee de Bergrede in: doe meer dan het gewone, bouw je huis op de rots en niet op het zand. De tweede liet ons zien dat we samen één huis zijn, met Jezus als de hoeksteen en wijzelf als levende stenen. En hij zei iets wat ik heel mooi vond: liefde is het cement dat de stenen bij elkaar houdt. Dat bid ik ook voor ons als gemeente. Kwetsbaar en klein als we op dit moment zijn: de liefde houdt al die steentjes bij elkaar. De stormen van de afgelopen tijd hebben misschien een deel van het huis afgebrokkeld, maar het belangrijkste staat nog overeind: het fundament waarop alles gebouwd is. Het fundament is Jezus, en Hij is de hoeksteen.
Een paar weken geleden zei ik dat ik door heel het evangelie van Johannes heen wil preken, en vandaag staat Johannes 3 op mijn planning. Dat past mooi in het rijtje, dus daar wil ik vanmorgen op voortborduren.
Wat maakt een steen levend?
Terwijl ik zat na te denken over die levende stenen en een bruggetje zocht naar Johannes 3, dacht ik: wat ís dat eigenlijk, een levende steen? Wat maakt een steen levend? Ik ben praktisch ingesteld, en ik ben aan het verbouwen, dus mijn achtertuin staat vol stenen. Bakstenen, straatklinkers, noem maar op. Ik heb er zo eentje vastgepakt en gedacht: wat is er nou letterlijk voor nodig om deze steen levend te maken? Kan ik dat?
Ik kwam tot de conclusie: nee. Ik kan met die steen alles doen wat ik wil, maar het blijft een dode steen. Dus als de Bijbel het heeft over levende stenen, hoe zit dat dan?
Daarvoor gaan we naar Johannes 3. Daar heeft Jezus een ontmoeting met een heel bijzondere man. Met mijn kinderen maken we altijd de grap dat hij Nico de Mus heet. Het is natuurlijk Nicodemus. We lezen het gesprek gewoon even:
En er was een mens uit de Farizeeën; zijn naam was Nicodemus, een leider van de Joden. Deze kwam 's nachts naar Jezus en zei tegen Hem: Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar, want niemand kan deze tekenen doen die U doet, als God niet met hem is. Jezus antwoordde en zei tegen hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien. Nicodemus zei tegen Hem: Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Hij kan toch niet voor de tweede keer in de buik van zijn moeder ingaan en geboren worden? Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan. Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest. Verwonder u niet dat Ik tegen u gezegd heb: U moet opnieuw geboren worden. De wind waait waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met iedereen die uit de Geest geboren is. Nicodemus antwoordde en zei tegen Hem: Hoe kunnen deze dingen gebeuren? Jezus antwoordde en zei tegen hem: Bent u de leraar van Israël en weet u deze dingen niet? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken over wat Wij weten en getuigen van wat Wij gezien hebben, en toch neemt u Ons getuigenis niet aan. Als Ik aardse dingen tegen u zei en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik hemelse dingen tegen u zeg? En niemand is opgevaren naar de hemel dan Hij Die uit de hemel neergedaald is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is. En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God. En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht. Want ieder die kwaad doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet ontmaskerd worden. Maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat van zijn werken openbaar wordt dat ze in God gedaan zijn. — Johannes 3:1-21 (HSV © Stichting HSV)
Er staat nog veel meer in dit hoofdstuk. Toen ik ermee bezig was, dacht ik: ik kan hier een heel boek over schrijven, laat staan dat ik het in een preek van een half uur moet proppen. Het kwam echt uit op een preek van anderhalf uur, en dat wil ik jullie met deze hitte niet aandoen. Dus ik heb heel wat moeten schrappen.
Geen karikatuur: Nicodemus de Farizeeër
Het begint al bij Nicodemus. Nicodemus is niet zomaar een Jood. Hij is een bijzonder mens, een Farizeeër. Meestal stoppen we Farizeeën in een soort komisch hoekje: dat zijn de schriftgeleerden, die hebben het altijd fout, ze zijn altijd tegen Jezus en altijd voor de wet. We maken er een karikatuur van. Ik denk dat dat onterecht is, want hier is een Farizeeër die naar Jezus komt en Hem echt een compliment geeft. Hij zegt tegen Jezus: we zien dat U van God gekomen bent, God heeft U gezonden. Hij noemt Hem leraar, en Nicodemus was zelf een leraar van leraren.
Hij was waarschijnlijk lid van het Sanhedrin, de Joodse raad in Jeruzalem. Johannes noemt hem "een leider van de Joden", en later zien we hem zitten tussen de overpriesters en Farizeeën die over Jezus vergaderen. Dat was een van de hoogste posities die je in het Joodse land kon hebben. Hij kende de wet uit zijn hoofd. Hij kende de Thora, de Profeten, de Psalmen. En hij hield zich eraan, misschien nog wel nauwkeuriger dan de meeste mensen om hem heen. We hebben hier dus te maken met een Farizeeër die de Bijbel kent, die het toepast op zijn leven en echt leeft volgens de letter van de wet. Als er ergens in Jeruzalem een man rondliep die zijn leven op orde had, dan was het Nicodemus wel. Geen malle Farizeeër die alleen maar met regeltjes bezig is, maar een oprechte Farizeeër, die naar Jezus toe komt en zegt: wat U doet, kan niet anders dan dat God met U is.
Hij geeft Jezus dus echt een compliment, en dan antwoordt Jezus. Dat verbaasde me eigenlijk ontzettend: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien." Geen dank je wel. Geen: wat heb je dat goed gezien, wat heb je dat goed gedaan.
Als Nicodemus vandaag hier zou zijn, zou hij op de voorste rij gaan zitten. Hij wil alles zien, hij wil erbij zijn. Hij zou misschien de dienst leiden, Bijbelstudies geven. Hij zou echt iemand zijn die de boel op sleeptouw neemt. En Jezus antwoordt niet met "goed gezien, ga zo door". Hij stopt eigenlijk het verhaal van Nicodemus en gooit het in één keer om.
Een steen kan niet harder zijn best doen
Misschien is dat de vraag waar deze hele preek om draait, en misschien ook de vraag waarmee je vanmorgen binnenkwam, of je het nou weet of niet. We hebben het gehad over bouwen op de rots, over Jezus als de hoeksteen en onszelf als levende stenen die samen Gods huis vormen. Een heel mooi beeld, maar er zit een vraag onder: hoe word ik een levende steen?
Misschien was dat ook de vraag van Nicodemus. Niet letterlijk, maar wel: hoe dan? Hoe werkt dat? Want hij gaat Jezus vragen stellen. Een steen kan, zoals ik al zei, niet harder zijn best doen. Een steen kan niet trouwer worden in zijn taak dan hij al was. Hij kan niet gehoorzamer of ijveriger worden. Ik kan die steen prijzen, motiveren, onderwijzen, Bijbelstudies geven, het voorbeeld blijven geven, maar die steen blijft een steen. Levend worden is niet iets wat de steen uit zichzelf kan doen. En ik denk wij ook niet.
Nicodemus is daar een heel mooi voorbeeld van: iemand die alles goed deed, en tegen wie Jezus toch zegt dat hij het Koninkrijk van God niet kan zien als hij niet opnieuw geboren wordt. Nicodemus gaat meteen in zijn radertjes denken: hoe kan dat dan? Ik kan toch niet opnieuw mijn moeder in? Ik ben een grote man, mijn moeder is klein, dat past praktisch gezien niet. Hoe moet dat dan?
En Jezus zegt eigenlijk: probeer niet harder. Je moet opnieuw beginnen. Helemaal opnieuw beginnen, vanaf nul.
Nicodemus snapte er niks van, en eerlijk gezegd snapte ik het in eerste instantie ook niet. Wat bedoelt Hij nou eigenlijk? Ik snap Nicodemus wel. Wij hebben het allemaal over opnieuw geboren worden, wedergeboorte, maar wat is dat dan? Hoe leg ik dat uit aan iemand die God niet kent, die de Bijbelse of christelijke woorden niet kent? Als ik tegen mijn buurvrouw zou zeggen dat ze opnieuw geboren moet worden, zou ze precies zo kunnen reageren als Nicodemus: hoe dan? Wat betekent dat?
Het is eigenlijk bijna grappig. Nicodemus denkt misschien: geboren worden heb ik al gehad. Ik ben al geboren, dat kan niet opnieuw. Dat ligt achter me. Ik ben verder gegroeid, ik heb gestudeerd, ik ben iemand geworden. Ik heb een positie, ik heb status, ik dien de Heer oprecht en ik ben goed bezig. En Jezus zegt: wat er moet gebeuren, moet nog gebeuren. Het moet nog beginnen. Je moet geboren worden uit de Geest. Geboren, niet gemaakt.
Opnieuw, en van boven
Ik hou natuurlijk van de grondtekst, dus ik ben een beetje gaan graven. Wat zit er in de grondtekst waar we iets uit kunnen halen? Dat zit hem in het woordje "opnieuw". In het Grieks staat daar anōthen, en dat betekent ook "van boven". Het is dus niet alleen opnieuw, het is ook van boven. Nicodemus hoort "opnieuw" en denkt aan een tweede poging, iets wat hij zelf zou moeten doen. Maar Jezus bedoelt: van boven, iets wat van buitenaf komt. Dat onderscheid is volgens mij heel belangrijk.
Want wat is geboorte nou eigenlijk? Ik had het er gisteren met mijn dochter over. Ik zei: het is niet zo dat God in de hemel aan een tafel zit met allemaal mensen, en op een gegeven moment zegt: daar en daar moet nu een kind geboren worden, wie wil? En dat jij dan je vinger opstak: ja, ik ga wel. Nee, zo is het niet gegaan. Wij hebben zelf geen invloed gehad op onze geboorte. Het is ons overkomen, ons gegeven. Iemand anders heeft dat gegeven. Dat is het beeld dat Jezus gebruikt, en ik denk dat Hij dat heel bewust doet.
Hij zegt niet: word nog een beter mens. Nicodemus, je bent er bijna, je hebt de finish bijna gehaald, je hebt al zoveel goed gedaan, nog een paar stapjes en je bent er. Nee, Jezus zegt: je moet opnieuw geboren worden. Er moet iets gebeuren van buitenaf, waar je zelf geen of bijna geen invloed op hebt.
Want wat Nicodemus mist, is geen kennis. Die heeft hij in overvloed. Hij mist ook geen onberispelijk leven, want dat heeft hij ook. Hij mist iets wat kennis en een onberispelijk leven hem nooit hebben kunnen geven: leven van boven.
Misschien ken jij de Bijbel ook goed. Je bidt trouw, je geeft trouw, je doet trouw mee, je zet je in voor de gemeente, en misschien voel je toch ergens diep vanbinnen dat er iets ontbreekt. Dat je misschien wel een steen bent die heel goed zijn best doet om op een levende steen te lijken. Ik wil je geruststellen: dat gevoel ken ik ook af en toe. Dat gevoel dat zegt: ik moet nog harder mijn best doen om zichtbaar te worden, nog harder mijn best doen om deel uit te maken van een groter geheel. Wat is mijn functie nou? Wat stel ik nou voor?
En dan kom ik bij dit punt uit. Jezus zegt eigenlijk tegen Nicodemus: het zit hem niet in wat jij doet, het zit hem in wat Ik doe. Dat is de plek waar eigen initiatief, eigen inzet en eigen kunnen ophouden, en waar Gods genade begint. De plek aan het kruis. Dat is mooi, want het kruis zat ook in de liederen van vanmorgen, en straks vieren we het avondmaal en denken we ook aan het kruis.
Kijk naar de slang
Want wat doet Jezus? Hij neemt Nicodemus mee naar het kruis. Alleen op een bijzondere manier, want Jezus leeft nog; Hij is zelf nog niet aan het kruis gegaan. Hij pakt uit Numeri 21 een stukje over Mozes, die met het volk Israël door de woestijn trekt.
Het volk is aan het mopperen. Ze mopperen op God, ze mopperen op Mozes, ze mopperen op het eten. En dan stuurt God gifslangen. Dat vind ik eerlijk gezegd een beetje lastig; dat is ook zo'n theologisch ding waar ik nog over aan het studeren ben. Waarom dan, en hoe dan? Maar er komen gifslangen uit de bosjes, en die beginnen de Israëlieten te bijten, en wie gebeten wordt, sterft.
Dan komt het volk tot inkeer. Ze zeggen: help, we moeten stoppen met mopperen. En Mozes gaat bidden tot God dat Hij de slangen wegneemt. Als je dan, los van het kruis, alleen dat eerste stukje leest, denk je: wat een bizarre opdracht krijgt Mozes. Want God haalt de slangen niet weg. God zegt ook niet: boven op de berg groeit een bijzondere plant. Dat zie je weleens in sprookjesfilms: je moet een onmogelijke tocht maken om die plant te bemachtigen, en van de wortels kun je een medicijn maken, en dat is de oplossing. Niks van dat alles. God zegt: maak een slang en zet die recht overeind op een paal.
En de HEERE zei tegen Mozes: Maak u een gifslang en zet hem op een staak. Het zal gebeuren dat ieder die gebeten is, in leven zal blijven, als hij daarnaar kijkt. Toen maakte Mozes een koperen slang en zette hem op de staak. En het gebeurde als de slang iemand beet dat hij naar de koperen slang keek en in leven bleef. — Numeri 21:8-9 (HSV © Stichting HSV)
Als je niet naar het kruis kijkt, is dit een heel raar verhaal. God stuurt slangen, je wordt gebeten, je gaat dood, maar er is een koperen slang, en als je daarnaar kijkt, blijf je leven. God lost het probleem dus niet op door het weg te halen. De slangen verdwijnen niet; die zijn er nog steeds. Maar ieder die naar de slang op de staak kijkt, blijft leven.
Er staat niet: wie hard genoeg zijn best doet om het medicijn te vinden, of hard genoeg bidt, of hard genoeg werkt, of het gif zelf uit zijn lichaam weet te zuigen. Er staat niet: wie voldoende offers bracht, voldoende boete deed, drie dagen vastte. Nee, er staat: wie keek, bleef leven. En dat is het voorbeeld dat Jezus aan Nicodemus geeft. Kijken. Meer niet.
Het klinkt bijna te gemakkelijk en te mooi om waar te zijn, maar ik denk dat het in de kern ook de kern van het kruis is. Kijk nog even terug naar de tijd van Mozes. Een man ligt op de grond, het gif trekt door zijn lichaam, hij heeft helse pijnen, en het enige wat van hem gevraagd wordt, is: hef je hoofd omhoog en kijk naar de koperen slang. Hij hoeft niet naar de staak toe te kruipen om te bewijzen dat hij het verdient. Hij hoeft alleen maar te kijken. Dat betekent ook toegeven dat je het zelf niet kunt oplossen. Er was niets wat de Israëlieten zelf konden doen aan de slangen, en ik denk dat het ook in onze tijd zo is. Dat is het punt dat Jezus maakt naar Nicodemus: er is niets wat jij kunt doen dat het oplost.
De slang, het gif en het kruis
Dan zegt Jezus tegen Nicodemus: "zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft." Jezus pakt de koperen slang van Mozes en zegt: dat beeld ging over Mij. De Zoon des mensen, dat ben Ik; Ik moet ook op een staak verhoogd worden. Het is geen toevallige vergelijking, en Jezus zegt ook niet: het lijkt er een beetje op. Nee: zoals de slang verhoogd moest worden, zo moet Ik ook verhoogd worden, verheven worden. Eigenlijk zegt Hij al, en dat weten wij omdat we weten hoe het verder ging: aan een kruis.
Ik heb daar wel even mee geworsteld. In de Bijbel is de slang vrijwel altijd het beeld van de tegenstander, van de vijand. Zegt Jezus dan: ben Ik de vijand? Nee. De slang is volgens mij het beeld van het gif zelf. En het gif waar wij mee te maken hebben, is het gif van de zonde, met de dood als gevolg, dat sinds de zondeval van Adam en Eva eigenlijk door onze aderen loopt.
Jezus heeft, zoals Paulus het mooi omschrijft, de zonde van de hele wereld op Zich genomen. Paulus gaat zelfs zo ver dat hij zegt dat Jezus tot zonde gemaakt werd:
Want Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem. — 2 Korinthe 5:21 (HSV © Stichting HSV)
Niet dat Jezus ooit zonde heeft gedaan. Maar alles was zo op Hem betrokken dat Hij in dat opzicht eigenlijk het beeld van die slang werd. Alle zonde op Hem, alle ziekte op Hem, alles op Hem. En het enige wat God van ons vraagt, terwijl we liggen te kronkelen in de zonde op de grond, is: hef je hoofd omhoog en kijk. Kijk naar de Zoon des mensen, door Wie je het leven ontvangt.
Dat is het kruis. We zingen "Jezus overwinnaar", en dat is Hij. Maar als we Jezus aan het kruis zien, zien we nog niet de overwinnaar. Hij hangt daar niet om Zijn spierballen te laten zien. Nee, Hij hangt daar als een geslagene, als een verslagene. Denk daar eens over na, over dat beeld. Jezus is overwinnaar omdat Hij opstond uit de dood; door Zijn opstanding heeft Hij alles overwonnen. Maar aan het kruis droeg Hij onze straf, onze schuld, onze ongerechtigheden. Hij droeg alles. En er is niets wat wij kunnen doen. Dat zegt Hij tegen Nicodemus, en dat zegt Hij ook tegen ons: er is niets, maar dan ook niets wat jullie kunnen doen, behalve naar Mij kijken.
Eerst kijken, dan bouwen
Laat ik nog even terugblikken op die eerdere preken. Doe meer dan het gewone, bouw op de rots. Wij zijn levende stenen, samengevoegd door Christus, bijeengehouden door liefde als cement. Dat is in mijn optiek een uitkomst van kijken naar het kruis. Kijken naar Jezus, die het voor ons heeft gedragen. Kijken naar Hem, Hem aannemen, waardoor het gif geen invloed meer heeft op ons leven. Vanuit Gods perspectief is het gif ook weg: God ziet de zonde niet meer, Hij ziet ons door Jezus heen. En daar mogen wij nu al een stukje van ervaren.
Maar er zit een volgorde in, en ik vind het mooi om dat vandaag te laten passeren. Het gaat niet om nog beter je best doen. "Zout zijn en zout doen" is belangrijk, want we zijn het zout van de aarde en het licht van de wereld. We moeten ons licht laten schijnen, of beter: Zijn licht. Zout behoudt; vlees dat gezouten is, blijft veel langer goed. Zout geeft smaak, en zout in een wond prikt, maar het reinigt ook. Zout heeft zoveel mooie functies, en dat is volgens mij ook onze rol in deze wereld. Maar we kunnen alleen zout zijn en zout doen als we leven. Als het leven van God door ons heen stroomt.
Dat is de volgorde: eerst kijken naar Jezus, opnieuw geboren worden. Ik denk dat we, als we christenen zijn, allemaal kunnen zeggen dat we opnieuw geboren zijn. Maar ik denk ook dat we dagelijks naar het kruis moeten kijken, om te beseffen dat we het niet uit onszelf kunnen of hoeven te doen, maar dat het ons allemaal door Hem gegeven wordt. En vanuit dat besef, vanuit die openbaring dat God het voor ons gedaan heeft, mogen wij Zijn licht, Zijn liefde en Zijn zout verspreiden in de wereld om ons heen. Dan kunnen we levende stenen zijn.
Die eerdere preken passen goed in elkaar, maar ze zouden per ongeluk de indruk kunnen wekken dat je vooral meer je best moet doen. Het is goed om uit te blinken in het laten zien van Gods liefde. We mogen ons best doen om zout te zijn, maar niet om levende stenen te worden. We doen het omdat we levende stenen zijn.
We zijn met deze gemeente, hoe klein we ook zijn, door moeilijke tijden heen gegaan. De focus ligt nu op bouwen, op herbouwen. Maar het moet niet gaan voelen alsof we hard aan de arbeid moeten, alsof het zwoegen en ploeteren wordt en we alles moeten geven. In de eerste plaats moeten we kijken: kijken naar het kruis, kijken naar Jezus, en het van Hem verwachten.
Als de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen zijn bouwers eraan; als de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter. — Psalm 127:1 (HSV © Stichting HSV)
Het Lam aan tafel
Dan terug naar Nicodemus. Jezus heeft hem even, als het ware, een toekomstplaatje laten zien van Zichzelf aan het kruis. En er is één zin, zo bekend, die Jezus direct na de slang in de woestijn doorgeeft: "Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft." Als je dat vers in lijn ziet met het gesprek met Nicodemus en de vergelijking met de koperen slang in de woestijn, dan hangt het niet los. Als je het niet goed doorleest, lijkt het een soort losse flodder, maar het is een conclusie van de slang in de woestijn. God gaf toen een weg om te kijken en te leven, en zo geeft Hij nu Zijn eigen Zoon. Niet als een extra wet of een regel erbovenop, maar als het antwoord. Het antwoord zelf.
Ga nog even helemaal terug naar hoofdstuk 1. Voordat Nicodemus ooit met Jezus sprak, had Johannes de Doper Jezus al aangewezen, met een woord dat niets met slangen te maken heeft, maar wel met wat zo meteen hier aan tafel gaat gebeuren:
De volgende dag zag Johannes Jezus naar zich toe komen en hij zei: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt! — Johannes 1:29 (HSV © Stichting HSV)
Het gaat om een lam, and dat woord komt niet uit de lucht vallen. Met Pasen hebben we het weer gevierd, en het Joodse Pesach is de herdenking van de uittocht uit Egypte. Toen werd er een lam geslacht, en streken ze het bloed aan de deurposten, zodat de dood aan hun huizen voorbij zou gaan. Joden vieren Pesach nog elk jaar, al wordt het lam sinds de verwoesting van de tempel in het jaar 70 in het jodendom niet meer geofferd; alleen de Samaritanen slachten het nog. Maar dat lam beschermde niet alleen. Het volk at er ook van, en het gaf kracht voor de weg die voor hen lag.
Johannes neemt dat beeld van het lam mee door zijn hele evangelie. In mijn eerste preek over Johannes vertelde ik al dat het misschien lijkt alsof hij willekeurig allemaal verhalen heeft opgeschreven, maar er zit een lijn in. Johannes wil een punt duidelijk maken. En hier in hoofdstuk 3 komen twee lijnen samen: de slang die omhoog werd verheven, en het Lam dat gegeven wordt. Eigenlijk zeggen beide beelden hetzelfde. Je wordt niet gered door wat je doet, maar door te kijken naar en te ontvangen wat God vanuit Zichzelf gegeven heeft.
Dat is wat we vandaag ook gaan doen als we aan tafel gaan. Ik wil vandaag niet uitgebreid ingaan op wat het avondmaal betekent; het avondmaal komt later in Johannes nog voorbij, en dan staan we er uitgebreider bij stil. Maar één ding wil ik alvast meegeven voordat we zo het brood gaan breken. Aan deze tafel gebeurt eigenlijk hetzelfde als bij die staak in de woestijn. Je hoeft niets mee te nemen. Je hoeft niet eerst te bewijzen dat je waardig bent om aan tafel te komen. Je hoeft geen lijstje te overhandigen van alle dingen die je deze week goed hebt gedaan, om genoeg punten te hebben gescoord om aan het avondmaal deel te mogen nemen. Je hoeft alleen maar te kijken naar wat God gegeven heeft, en het te ontvangen.
Ook als je in het donker komt
Nicodemus kwam 's nachts, in het donker. Misschien was dat uit angst voor zijn mede-Farizeeërs, die aan de andere kant stonden. Misschien uit schaamte. Of misschien was het overdag gewoon te druk; dat kan ook nog. Maar ik neig toch eerder naar het eerste: dat hij liever niet gezien wilde worden bij die rabbi.
Wat ik zo mooi vind aan Jezus: ook al kwam het misschien uit angst of schaamte, Hij wees hem niet weg. Hij zei niet: kom morgenochtend maar terug, Ik wil nu slapen. Nee, Hij nam uitgebreid de tijd voor hem en legde alles uit. En, spoiler alert: in hoofdstuk 19 komt Nicodemus terug. Het is dezelfde Nicodemus die met specerijen komt om het lichaam van Jezus te verzorgen na Zijn dood aan het kruis. De man die 's nachts kwam met vragen, staat uiteindelijk onder aan de staak waar de "slang" hangt. Aan het kruis waar Jezus hangt.
Misschien heb jij vandaag ook vragen. Ik herken dat bij mezelf: af en toe voel ik me ook een beetje een Nicodemus. Ik doe zo mijn best, en toch mis ik iets. Dat is geen plek om je voor te schamen, want we zijn mensen. Of je nou hier voorin staat of daar zit, het maakt niet uit: we hebben allemaal vragen, we hebben allemaal twijfels, en soms ook schaamte of angst. En Jezus wijst ons niet weg. Hij maakt tijd voor ons. Het is geen slechte plek om te zijn, want ik heb ontdekt dat dit de plek is waar Jezus mij ontmoet, en waar Hij ook jou wil ontmoeten. Juist midden in de twijfels of de angst, of als je het gewoon even niet meer weet. We mogen altijd bij Hem komen met al onze vragen, want Hij ontmoet ons daar.
We hoeven niets te bewijzen, en je hoeft niet eerst een betere versie van jezelf te worden voordat je welkom bent aan het avondmaal. Til alleen je hoofd op, kijk naar het Lam, en ontvang. Dat is ook de titel van mijn preek: kijk en leef.
Het leven wil naar buiten
Ik wil hier nog niet stoppen. Niet omdat ontvangen niet genoeg zou zijn, want ontvangen is genoeg, het is alles. Maar het leven dat we ontvangen, wil naar buiten. Het is net als met een fontein vol vreugde: je kunt er een steen op leggen, maar het wil naar buiten. Pak een champagnefles en schud hem even flink: het wil naar buiten! Dat bedoelde ik met goed doen, zout zijn, licht zijn, levende stenen zijn. Het leven dat ons gegeven wordt, wil naar buiten.
Want een liefde die alleen maar naar binnen kijkt, alleen maar naar jezelf, is niet de liefde die Jezus ons voorleeft. De liefde die Jezus geeft, gaat altijd naar buiten. Ik zou bijna zeggen dat Jezus geen liefde voor Zichzelf heeft. Dat is niet helemaal waar, maar het is niet wat Hij laat zien. Hij legt de nadruk op liefde geven aan je naaste. En wie is dan je naaste? Daar hebben we het al eens over gehad. Dat is niet alleen je vriend of je leuke buurman, maar ook de etter verderop in de straat. Die vervelende collega die altijd dwarsligt en die je eigenlijk liever niet meer in het bedrijf wilt hebben. Dat is ook je naaste.
Kijk hoe Jezus naar mensen kijkt:
Toen Hij de menigte zag, was Hij innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, zoals schapen die geen herder hebben. Toen zei Hij tegen Zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders. Bid daarom tot de Heere van de oogst dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitzendt. — Mattheüs 9:36-38 (HSV © Stichting HSV)
Zo zijn de mensen in de wereld om ons heen die God niet kennen. Ze hebben een Herder, maar ze kennen de Herder niet. En het is onze taak om hun te laten zien wie de goede Herder is. Let op de volgorde, want het komt allebei uit hetzelfde hoofdstuk. Jezus zegt niet tegen de vermoeide, verstrooide mensen: ga nu maar hard werken. Nee, Hij zegt eerst: Ik zie jullie, Ik ben bewogen. En dan zegt Hij: de oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders. Er stond een hele menigte, en Hij zag hun vermoeidheid, en Hij zag dat er mensen nodig waren die al in het leven staan, door wier aderen het leven al stroomt. Eerst kijken, eerst leven, en dan bewegen.
We zijn een kleine gemeente, geen groot getal. Maar als ik de God van de Bijbel ken en lees, dan maken nummertjes en cijfertjes voor Hem niets uit. Of het er nou één is, of twee, of drie, of acht, of honderd, of duizend: ook met een handjevol mensen kan Hij wonderen doen. Dus kijk naar God, en niet om je heen met de gedachte: hoe moeten wij dit met zo weinig mensen doen? Dat kunnen we helemaal niet. Ik wil je juist bemoedigen: je hoeft het ook niet, en je kunt het niet, maar Jezus en God kunnen het wel. Wij kijken naar Hem.
Dat is de volgende stap. Niet eerst bouwen en dan levend worden, maar we zijn levend gemaakt door te kijken naar het kruis, en nu mogen we bouwen, nu mogen we naar buiten kijken. Niet uit verplichting, maar met een hart dat bewogen is zoals dat van Jezus. Dat we om ons heen mogen kijken en in ons hart de ontferming mogen voelen die Hij heeft. Dat is ook mijn gebed. We bouwen op de rots, op de hoeksteen, en met elkaar zijn we levende stenen. Waarom? Omdat we kijken naar het kruis. Daar komt onze kracht vandaan, ons leven, onze energie, onze richting. Niet uit onszelf, niet uit onze kennis of uit hoe goed we het doen, maar uit het kijken naar Hem die aan het kruis is gegaan.
En ik bid dat we zo het avondmaal mogen vieren: dat we zo mogen kijken naar het brood dat we nemen. Niet in de verwachting dat we het zelf moeten kunnen, maar in de overtuiging dat Hij het voor ons gedaan heeft. Geen tafel van mensen die alles goed voor elkaar hebben, maar een tafel van mensen die, net als Nicodemus, soms nog vragen hebben of twijfels. Die soms in het donker naar God toe komen, omdat het licht misschien nog net iets te fel is. Jezus zegt: kom, kijk en ontvang.
Amen.
