Preek
Jezus en Goliath
Waar gaat deze preek over?
Het verhaal van David en Goliath is meer dan een heldenverhaal. Het spiegelt de zondeval in Genesis en wijst vooruit naar Pasen: Jezus die alleen, namens ons allemaal, de strijd aangaat met zonde en dood – en wint.
In deze preek
Vandaag wil ik het hebben over een verhaal dat we volgens mij allemaal wel kennen: het verhaal van David en Goliath. Je zou kunnen denken: wat heeft dat nu met Pasen te maken? Ik wil je meenemen in wat ik ontdekt heb. Er loopt een lijn van Adam en Eva, via David, naar Jezus – en ook de slang hoort in dat verhaal. Dat maakt het in mijn ogen zo bijzonder, met een diepe betekenis die ook vandaag nog waardevol is.
Het oude patroon van de slang
De Bijbel heeft een rode draad die steeds in een andere vorm terugkomt: het verhaal van de zondeval. God schiep de mens en plaatste hem in de hof van Eden. En dan is er ineens een pratende slang. Een aanklager die de mens aanspreekt en ervoor zorgt dat de mens gaat twijfelen aan de goedheid van God. Met woorden trekt de slang God en Zijn bedoelingen in twijfel. De slang spreekt, de mens luistert, en er komt afstand tussen God en mensen. Zonde en dood komen de wereld in.
Dat verhaal speelt zich keer op keer af in de Bijbel. En ook in ons eigen leven is het een patroon dat zich herhaalt. We leven ons leven, en dan fluistert iets ons in dat het anders kan, dat het beter kan. Als we daarnaar luisteren, merken we na een tijdje dat we verder van God af lijken te staan, verder van Zijn plan en bedoeling met ons leven. Verleidingen en leugens brengen ons op plekken waar we eigenlijk niet willen of horen te zijn. Of, zoals in het verhaal van vandaag: ze maken ons angstig en passief. Maar er is hoop!
Het verhaal van David en Goliath is in zekere zin een spiegel van de zondeval in Genesis. Het laat zien hoe het had moeten gaan als Adam en Eva niet waren meegegaan in de verleiding. Daarmee is het een voorbeeld voor ons, en tegelijk een verwijzing naar Jezus en naar waar Pasen voor staat. David staat symbool voor Jezus, Goliath voor de slang. En het volk, dat zijn wij.
David als schaduw van Jezus
Jezus wordt in de Bijbel een aantal keren de Zoon van David genoemd, de rechtmatige opvolger op de troon. De engel zegt tegen Maria dat ze een Zoon zal baren en dat God Hem de troon van David zal geven. In Openbaring 22 zegt Jezus zelfs over Zichzelf dat Hij hét nageslacht van David is. Jezus heeft hier op aarde nooit op een troon gezeten, maar Hij zit wel op de troon aan de rechterhand van God de Vader. Dat zegt mij dat David en zijn koningschap ook een afspiegeling zijn, met een geestelijke betekenis die we serieus mogen nemen.
Het is wel goed om te weten dat je niet alle daden van David aan Jezus kunt koppelen. David is maar een schaduw. Vandaag kijken we naar een stukje uit zijn leven waarin we, in mijn ogen, Jezus wel degelijk in volle glorie kunnen zien. Ik zeg dit vooraf, zodat ik onderweg makkelijker de vergelijking met Jezus kan maken.
Een reus in het dal
De tekst van vandaag is 1 Samuel 17. We lezen niet het hele hoofdstuk, maar ik laat de belangrijkste teksten zien. Het hoofdstuk begint wanneer de Filistijnen zich hebben verzameld bij Socho, en Saul het leger van Israël daartegenover opstelt. Beide legers staan op een berg, met een vallei ertussen. En dan stapt er ineens een reus naar voren: Goliath.
Toen kwam er een kampvechter tevoorschijn uit het leger van de Filistijnen. Zijn naam was Goliath, uit Gath; zijn lengte was zes el en een span. Hij had een bronzen helm op zijn hoofd, een geschubd harnas aan – het gewicht van het harnas was vijfduizend sikkel brons – hij droeg een bronzen scheenplaat boven zijn voeten en een bronzen werpspies op zijn schouders. De schacht van zijn speer was als een weversboom, en de punt van zijn speer was van zeshonderd sikkel ijzer; en de schilddrager ging voor hem uit. Hij stond daar en riep de gelederen van Israël toe; hij zei tegen hen: Waarom zou u uittrekken om u op te stellen voor de strijd? Ben ik niet een Filistijn en bent u geen dienaren van Saul? Kiest u een man uit die naar mij toe komt. Als hij met mij vecht en mij kan verslaan, zullen wij u tot slaven zijn, maar als ik hem overwin en hem versla, zult u ons tot slaven zijn en ons dienen. Verder zei de Filistijn: Heden hoon ik de gelederen van Israël: Geef mij een man om samen te vechten! Toen Saul en heel Israël deze woorden van de Filistijn hoorden, waren zij ontsteld en werden zeer bevreesd.
Hier wordt een zogenaamde kampioenenstrijd aangekondigd: één krijger vecht namens het hele leger tegen één andere krijger. Oorlogen waren kostbaar en bloedig, en legers kozen in die tijd vaker voor deze vorm. Het was enorm intimiderend, zeker als de tegenstander al vele gevechten had gewonnen. En het was een afgang als je niet op de uitdaging inging. Alles bij elkaar een enorme psychologische druk.
De uitkomst was helder. Als wij winnen, zijn jullie onze slaven; als jullie winnen, zijn wij jullie slaven. Eén tegen één, en de krijger vecht namens het hele volk. Dat is al een eerste verwijzing naar Jezus: de Zoon van God die alleen naar het kruis ging en de strijd aanbond met zonde en dood, alleen, namens de hele mensheid. Wie wint, wint alles. Als Jezus sterft en dood blijft, dan sterven we allemaal en is er geen hoop. Maar als Jezus wint, winnen we allemaal door Hem. En net als bij David tegen Goliath is het een oneerlijke strijd die voor mensen onmogelijk lijkt. Een kleine herdersjongen tegenover een reus. Jezus, die Zijn goddelijke heerlijkheid had afgelegd, mens was geworden en onschuldig werd veroordeeld.
Een harnas dat naar de slang verwijst
De Bijbel neemt uitgebreid de tijd om Goliath te beschrijven. Zijn lengte was zes el en een span; omgerekend is dat ongeveer 2,90 meter. Hij stak met kop en schouders boven iedereen uit. Hij droeg een bronzen helm en een geschubd harnas van zo'n vijfenvijftig tot zestig kilo, en bronzen scheenplaten aan zijn benen. Al met al een imposante verschijning: een enorme krijger met heel veel bescherming. Iemand die onoverwinnelijk lijkt.
Toch zit er in dat harnas meer dan je in onze vertaling ziet. Het Hebreeuwse woord voor brons is nechoshet. Dat klinkt bijna hetzelfde als nachash, het Hebreeuwse woord voor slang, en het heeft dezelfde letters. Israël kende die combinatie al. De koperen slang die Mozes in de woestijn moest maken, heet in het Hebreeuws een nachash nechoshet. Uit 2 Koningen 18:4 weten we dat koning Hizkia die koperen slang in stukken sloeg, zo'n driehonderd jaar na David. In de tijd van David was dat ding er dus nog gewoon. Voor ons is dat ver weg, voor hen niet.
Ook het woord voor "geschubd" is opvallend. Het Hebreeuws gebruikt het verder voor de schubben van vissen, en in Ezechiël 29 voor het grote zeemonster dat Egypte voorstelt. De schrijver wil zijn lezers dus duidelijk maken dat Goliath voor meer staat dan alleen zichzelf. Hij heeft, bij wijze van spreken, het woord slang in hoofdletters op zijn voorhoofd staan.
En wat doet deze slang? Veertig dagen lang stapt hij naar voren en spot hij met de God van Israël. Dag na dag beledigt hij het volk en God zelf. Het getal veertig is niet zomaar gekozen. Het staat in de Bijbel voor beproeving, moeite en geestelijke groei: veertig jaar in de woestijn, veertig dagen van Jezus in de woestijn, veertig dagen regen bij de zondvloed. Hier zien we het beeld van de slang die God dag na dag op de proef stelt en bespot, terwijl het volk bang is en zijn geloof kwijtraakt.
Dat verhaal komt keer op keer terug in de Bijbel. Een volk dat naar de verkeerde stem luistert en van God wegdrijft, en dan een moment van helderheid waarop er iets gebeurt dat alles weer corrigeert en herstelt. Het is een herhaling van Genesis, keer op keer. Eva werd als het ware "gebeten" door de slang, door een leugen. Die leugen bracht zonde en dood in de wereld. Het is de leugen die ons verzwakt en ziek maakt.
Een onbelangrijke herdersjongen
Dan komt David op het toneel. Zijn vader stuurt hem naar het front om eten te brengen bij zijn broers die in het leger dienen. Hij is waarschijnlijk nog een tiener, te jong om te dienen, en door zijn vader aangewezen om op de schapen te passen. Een taak die laag in aanzien stond, een taak voor de jongste of de minst belangrijke in het huis. Toen Samuel eerder bij Isaï kwam en naar zijn zonen vroeg, dacht niemand aan David. Zo onbelangrijk was hij.
Hij komt aan bij het slagveld, en op dat moment komt Goliath weer naar voren en vlucht iedereen weg. David hoort de woorden van Goliath, en de soldaten leggen hem uit dat de koning iedereen die tegen Goliath vecht rijk zal belonen. David gaat met de soldaten in discussie: "Wie is deze onbesneden Filistijn wel?" Zijn broer wordt er zelfs boos om. Maar ergens komen die woorden bij Saul terecht, en hij laat David halen.
Toen de woorden die David gesproken had, gehoord werden en in de tegenwoordigheid van Saul werden verteld, liet deze hem halen. David zei tegen Saul: Laat geen mens vanwege hem de moed laten zinken. Uw dienaar zal gaan en met deze Filistijn vechten. Maar Saul zei tegen David: Je bent niet in staat naar deze Filistijn te gaan om met hem te vechten, want jij bent een jongen en hij is een strijdbare man van zijn jeugd af. Toen zei David tegen Saul: Uw dienaar weidde de schapen van zijn vader, en kwam er een leeuw of een beer die een schaap van de kudde wegnam, dan ging ik hem achterna, sloeg hem neer en redde het uit zijn bek. En als hij mij dan aanviel, greep ik hem bij zijn baard, sloeg hem neer en doodde hem. Uw dienaar heeft zowel leeuw als beer verslagen. Zó zal deze onbesneden Filistijn zijn als een van hen, omdat hij de gelederen van de levende God gehoond heeft. Verder zei David: De HEERE, Die mij uit de klauwen van de leeuw gered heeft en uit de klauwen van de beer, Die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn. Toen zei Saul tegen David: Ga heen, de HEERE zij met je! Vervolgens kleedde Saul David met zijn eigen kleren, zette een bronzen helm op zijn hoofd en deed hem een harnas aan. David gordde zijn zwaard aan over zijn kleren en wilde gaan, maar hij was ongeoefend. Toen zei David tegen Saul: Ik kan hierin niet lopen, want ik ben ongeoefend; en David deed ze weer uit. Hij nam zijn staf in zijn hand, koos voor zich vijf gladde stenen uit de beek en legde ze in de herderstas die hij had, te weten in de zak, en zijn slinger was in zijn hand. Zo naderde hij tot de Filistijn.
Dat is het grote contrast in dit verhaal: een reusachtige krijger met zware bepantsering tegenover een jong ventje met een slinger en een steen. Niets hieraan lijkt eerlijk. Eerst wordt een vrouw verleid, en nu staat er een jongen tegenover een reus. Iemand die, zoals Saul al opmerkte, van jongs af aan getraind is om te vechten, tegenover een jongen.
Een verbond, geen deal
Hier gebeuren twee bijzondere dingen. Allereerst noemt David Goliath een onbesneden Filistijn. Dat is een opvallende uitdrukking. Besnijdenis was het teken van het verbond met Abraham, een belofte van God. Het was geen teken dat de wereld kon zien; het was een teken voor jezelf. Het is alsof David zegt: waarom zijn jullie zo bang voor hem? Hij heeft geen verbond met God. Wij wel. Wij hebben een geschiedenis met God, een verbond sinds Abraham. Dezelfde God leidde ons door de woestijn en het beloofde land in. We zijn niet alleen; God staat aan onze kant. God gaf me kracht om leeuwen en beren te verslaan, en zo zal Hij me ook kracht geven om deze onbesneden Filistijn te overwinnen.
Het harnas van Saul
Uiteindelijk geeft Saul hem zijn zegen. En dan gebeurt er iets anders. Saul kleedt David met een bronzen helm en een harnas, dezelfde woorden die gebruikt worden voor de helm en het harnas van Goliath. Saul was een grote man, de langste van Israël, en daarmee waarschijnlijk ook de aangewezen krijger om het tegen Goliath op te nemen. En hij trekt David zijn eigen harnas aan. Kracht tegenover kracht: als je dan toch gaat vechten, dan op gelijke voet, toch?
Het moet een bijna komisch moment zijn geweest. De kleine David in het harnas van de grootste Israëliet die er is. Zoiets als een kleuter in het trouwpak van zijn vader of de trouwjurk van haar moeder. En David trekt het weer uit. Ik denk dat dat niet alleen praktisch was, maar ook profetisch. Jezus kan de vijand niet verslaan met de gedaante, de wapens en de methodes van de vijand.
In plaats daarvan koos David vijf stenen uit een beek, en liep hij met zijn herdersstaf en slinger op Goliath af. Een beek is stromend water, en in de Bijbel is stromend, levend water een beeld van reiniging, later ook van Gods Geest. Over de vijf stenen bestaan verschillende uitleggingen. Vijf wordt soms in verband gebracht met genade. Andere tradities wijzen op de Thora, de eerste vijf boeken, vol woorden en beloften van God. Weer anderen wijzen erop dat 2 Samuel 21 nog vier andere reuzen uit Gath noemt, uit hetzelfde geslacht als Goliath. De moeite die ik met die laatste uitleg heb, is dat nergens blijkt dat David op dat moment van die andere reuzen wist.
Het belangrijkste vind ik dat David bleef bij zijn eigen kracht en identiteit. Hij wist wie hij was en wat hij als herder kon. Enerzijds geloofde hij echt wat hij zei over het verbond; anderzijds was hij zich goed bewust van zijn eigen behendigheid met de slinger. Dat is precies hoe Jezus Zijn taak volbracht. Hij wist wie Hij was en ging niet mee in de verwachtingen van het volk. Hij ging de Romeinen niet met het zwaard te lijf, maar deed precies waarvoor Hij gekomen was.
Zo mogen ook wij herkennen en erkennen wie we zijn in Hem, en wat God ons gegeven heeft om te doen. Blijf in je eigen kracht en in je eigen roeping. Probeer niet de tactieken van een ander over te nemen en te kopiëren, maar wees jezelf.
Een vloek die Genesis omdraait
Daarna zei de Filistijn tegen David: Kom naar me toe, dan zal ik je vlees aan de vogels in de lucht geven en aan de dieren op het veld. Maar David zei tegen de Filistijn: U komt naar mij toe met een zwaard, met een speer en met een werpspies, maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt. Op deze dag zal de HEERE u in mijn hand overleveren. Ik zal u verslaan en uw hoofd van u wegnemen. Ik zal deze dag de dode lichamen van het leger van de Filistijnen aan de vogels in de lucht geven en aan de dieren van de aarde, en heel de aarde zal weten dat Israël een God heeft. En deze hele gemeente zal weten dat de HEERE niet door zwaard of door speer verlost, want de strijd is van de HEERE. Hij zal u in onze hand geven.
De woorden van Goliath zijn het omgekeerde van Genesis 1:28. Bij de schepping zegende God de mens en gaf Hij hem heerschappij over de vogels in de lucht en de dieren op de aarde. Goliath spreekt een vloek uit die precies het omgekeerde is van die eerste zegen: de mens wordt voedsel voor de vogels en de dieren. Dat is wat de vijand doet. Hij pakt iets van God en draait het om. Ook vandaag nog: technologie als redder, macht in plaats van dienstbaarheid, een economie die nooit stilstaat in plaats van rust, eigen waarheden in plaats van de Waarheid, de aarde uitputten in plaats van er rentmeester over zijn.
David doet er nog een schepje bovenop: "Ik zal u verslaan en uw hoofd van u wegnemen." In de hof van Eden zei God tegen de slang: "Dat zal u de kop vermorzelen", en: "stof zult u eten." Goliath werd geraakt en viel met zijn gezicht in het stof. David rende naar hem toe, nam het zwaard van Goliath en hakte zijn hoofd af. De overwinning van David is aan de ene kant een soort vervulling van de belofte uit Genesis, en tegelijk een sterk voorbeeld en een profetie van Jezus, die alleen de strijd aanging met zonde en dood en afdaalde in het dodenrijk.
Een vijand die vlucht
Wat was de afspraak? Als wij winnen, zijn jullie onze slaven. Maar wat lezen we?
Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, vluchtten zij.
Wat hadden de Filistijnen moeten doen? En wat had er met de wereld moeten gebeuren toen Jezus na drie dagen uit het graf opstond? Je zou zeggen: dan had het meteen een betere plek moeten worden. De vijand had zijn wapens moeten neerleggen en zich moeten overgeven. Deed hij dat? Nee! De Filistijnen vluchtten weg. En dat deed de vijand tweeduizend jaar geleden ook. Overal waar hij een plekje kon vinden, bleef hij zitten.
Wat een bijzonder beeld voor vandaag. We vieren dat Jezus heeft overwonnen, maar de wereld is soms nog steeds een duistere plek. Een plek waar je je kunt afvragen: waar is onze God gebleven? Daarom vind ik dit zo'n krachtig beeld. Ja, de vijand is verslagen. Wij staan in de overwinning, omdat Jezus de steen in het voorhoofd van zonde en dood heeft geworpen en als overwinnaar uit het graf is opgestaan. De vijand is verslagen en verstrooid.
Want Hij moet Koning zijn, totdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd. De laatste vijand die tenietgedaan wordt, is de dood.
Ik lees dat, in het licht van ons verhaal, zo: Jezus zit nu op de troon, en alle overgebleven vijanden worden onder Zijn voeten gebracht. Ze zijn al verslagen en worden stap voor stap onder Zijn voeten gelegd. We hebben te maken met een overwonnen vijand.
Het hoofd van Goliath in Jeruzalem
Nog één opvallend detail:
David nam het hoofd van de Filistijn en bracht het naar Jeruzalem, maar diens wapens legde hij in zijn tent.
Dat is merkwaardig. Jeruzalem was nog niet de hoofdstad van Israël. Sterker nog: de burcht was in handen van de Jebusieten, en pas jaren later zou David de stad veroveren. Het was een flinke tocht, zo'n 25 tot 30 kilometer. Waarom deed David dit? En wat gebeurde er daarna met het hoofd? De Bijbel vertelt het niet.
Je hoort tegenwoordig regelmatig dat David het hoofd begroef op een heuvel net buiten Jeruzalem, de heuvel die later bekend stond als Golgotha, wat Aramees is voor Schedelplaats: de plek waar Jezus werd gekruisigd. Eerlijk gezegd is dat een vrij jonge gedachte. De vroege kerkvaders kenden wel een overlevering over een schedel op Golgotha, maar dan de schedel van Adam. Of het nu om Adam of om Goliath gaat, het blijven legendes. Toch vind ik het een veelzeggend beeld: de kop van de "slang" wordt naar Jeruzalem gebracht, de stad waar veel later de definitieve overwinning op de slang uit Genesis zou plaatsvinden. Wat er ook met die schedel is gebeurd: op Golgotha overwon Jezus de vijand definitief en vermorzelde Hij zijn kop.
Wat betekent dat voor ons?
Wat een fantastisch beeld van Jezus en Pasen. Maar wat betekent het voor ons?
Een paar jaar geleden had ik samen met mijn compagnon een bedrijf. We hadden jarenlang zonder problemen voor een internationaal bedrijf gewerkt, totdat we ineens in een rechtszaak terechtkwamen. Wij als klein bedrijf tegenover hen, met veel meer geld, tijd en middelen, en een forse claim aan onze broek. In die tijd belde mijn voorganger me op. Hij had de indruk dat God hem vroeg om mij aan het verhaal van David en Goliath te herinneren. Hij wist niet wat er speelde, maar God wel.
De weken daarna waren voor mij en mijn gezin heel spannend. Brieven van advocaten, dreiging van beslaglegging op ons geld en bezit. Alles bij elkaar heel veel macht en dreiging. Vaak voelde ik me als het volk van Israël: bang voor de reus. Maar steeds weer kwam die bemoediging voorbij: denk aan David, vertrouw op Mij. Lang verhaal kort: we wonnen de rechtszaak en kwamen er financieel ongeschonden uit. Alle eer aan God, die ons de kracht en het vertrouwen gaf om door te gaan en niet toe te geven aan angst.
Waarschijnlijk heb jij geen rechtszaak tegen een groot bedrijf gehad. Maar misschien herken je dat gevoel wel. Het gevoel van een oneerlijke strijd. De gedachte: dit ga ik nooit winnen.
Israël stond daar veertig dagen lang, en elke dag werden ze banger. Elke dag dezelfde gedachten, dezelfde angst, dezelfde stem die zei: je gaat dit verliezen! Dat is de stem van Goliath vandaag. Goliath viel niet aan met geweld, maar met woorden.
Welke woorden hoor jij vandaag? Welke leugens hoor je keer op keer?
Misschien denk je dat jij degene bent die moet vechten. Maar dat is niet het evangelie. Het evangelie is dat Jezus voor ons de strijd is aangegaan. Hij is het die voor ons vecht.
Wie geloof je? De stem van Goliath, of de overwinning van Jezus?
Als we op die overwinning gaan vertrouwen, betekent dat nog niet dat alles ineens verdwijnt. De vijand vlucht, maar geeft zich niet altijd meteen over. Toch verandert dit alles. Je hoeft niet meer te vechten vanuit angst, maar je mag gaan staan in de overwinning. Niet omdat jij zo sterk bent, maar omdat Hij al heeft overwonnen.
Amen.
