Preek
De berg van de verheerlijking: luister naar Hem
Waar gaat deze preek over?
Op de berg van de verheerlijking straalt Jezus als de zon, en verdwijnen Mozes en Elia. God zet Jezus niet naast de wet en de profeten, maar erboven: luister naar Hem. Wie zijn ogen op Hem richt, wordt van heerlijkheid tot heerlijkheid veranderd, op Gods tempo.
In deze preek
Twee bergen
In de Bijbel komen heel vaak bergen voor. De bekendste berg uit het Oude Testament is de Sinaï, waar Mozes de wet ontving. Vandaag wil ik stilstaan bij een andere berg, in het Nieuwe Testament: de berg waar Jezus met Petrus, Jakobus en Johannes naar boven ging en waar Hij verheerlijkt werd. De Bijbel noemt de naam van die berg niet; volgens de traditie is het de berg Tabor. Wij noemen hem meestal gewoon de berg van de verheerlijking.
De eerste berg, de Sinaï, is eigenlijk een beetje een donkere plek. Alleen Mozes mocht helemaal naar boven. Het volk niet; zij mochten de berg niet eens aanraken. Hij was gehuld in rook en vuur, en het was een berg waar vooral angst vandaan kwam. Dat zie je ook aan het volk Israël. Ze deinsden terug en bleven op afstand staan, en eigenlijk zeiden ze tegen Mozes: ga jij maar naar boven, luister jij maar naar wat God te zeggen heeft, dan horen wij het wel van jou.
En heel het volk was getuige van de donderslagen, de bliksems, het bazuingeschal en de rokende berg. Toen het volk dit zag, sidderden zij en bleven op een afstand staan. Zij zeiden tegen Mozes: Spreekt ú met ons, dan zullen wij luisteren, maar laat God niet met ons spreken, anders sterven wij. — Exodus 20:18-19 (HSV © Stichting HSV)
Het was een berg waar God sprak in geboden en verboden.
En dan de tweede berg, de berg van de verheerlijking. Daar schijnt Jezus als de zon. Zijn kleren worden stralend wit, zo wit dat Marcus erbij vertelt dat niemand op aarde kleding zo wit had kunnen krijgen. De discipelen zagen een berg van licht, en in het midden van dat licht staat Jezus Zelf.
Als ik om me heen kijk in de wereld, dan zie ik een wereld die op best wat plekken nog in duisternis gehuld is. Plekken waar angst regeert. Maar misschien zijn er ook in ons eigen hart plekjes waar we liever even niet komen. Die we snel wegduwen. Kamers in je hart die misschien al jaren op slot zitten en die je het liefst op slot laat, met dingen uit het verleden, met pijn, schaamte of angst, soms met dingen die niet eens woorden hebben. Ze zijn er gewoon.
De berg van de verheerlijking is in mijn ogen een aankondiging dat de duisternis geen plek krijgt.
Als ik aan het scheppingsverhaal denk, dan begint de wereld in duisternis. En dan komt het licht, en dan staat er: dit is de eerste dag.
En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag. — Genesis 1:5 (HSV © Stichting HSV)
Voor ons mensen begint de dag in de ochtend en eindigt hij in de nacht, als we gaan slapen. Maar in het scheppingsverhaal draait God het om. Hij begint met de nacht en laat daarna de nieuwe dag aanbreken. Eerst de avond, dan de morgen. De duisternis krijgt niet het laatste woord, het licht wel. Voor God begint de dag niet met een ondergaande zon, maar met een opgaande zon. De zon gaat op, en dat is de boodschap van vandaag.
Zes dagen eerder: wie zeggen jullie dat Ik ben?
Zes dagen voor de verheerlijking, zo staat het in de Bijbel, stelt Jezus Zijn discipelen een vraag.
Toen Jezus gekomen was in het gebied van Caesarea Filippi, vroeg Hij aan Zijn discipelen: Wie zeggen de mensen dat Ik, de Zoon des mensen, ben? Zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper, en anderen: Elia, en weer anderen: Jeremia of een van de profeten. Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben? Simon Petrus antwoordde en zei: U bent de Christus, de Zoon van de levende God. En Jezus antwoordde en zei tegen hem: Zalig bent u, Simon Barjona, want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. En Ik zeg u ook dat u Petrus bent, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen. En Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven; en wat u bindt op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en wat u ontbindt op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. Toen verbood Hij Zijn discipelen dat zij tegen iemand zouden zeggen dat Hij, Jezus, de Christus, was. — Mattheüs 16:13-20 (HSV © Stichting HSV)
Petrus is een beetje haantje de voorste onder de discipelen. Hij staat altijd vooraan, soms met een behoorlijk grote mond. En hij zegt: U bent de Christus, de Zoon van de levende God. Dan zegt Jezus iets bijzonders: vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader in de hemel.
Het is dus een openbaring, gegeven door God. Het is niet omdat Petrus zo zijn best deed, of omdat hij enorm aan het bidden en vasten was. Nee, het is de Geest van God die het als een soort lichtschakelaar in één keer aanzet bij Petrus. Dat Petrus zegt: U bent de Christus, de Zoon van God, dat komt van de Vader vandaan.
En dan krijgt Petrus nog iets te horen. Hij heet Simon, maar hij draagt de naam Petrus, en Jezus legt die naam uit: op deze petra, deze rots, zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen. Ik krijg uit de evangeliën de indruk dat Petrus al een beetje een man van bravoure is. Hij neemt geen blad voor de mond. Dus hoe zou hij die berg zijn opgegaan, een paar dagen nadat Jezus tegen hem had gezegd: op jou ga Ik Mijn kerk bouwen? Ik denk dat Petrus zich echt wel het mannetje voelde.
Op de berg: Mozes, Elia en Jezus
En dan gaan ze samen de berg op: Jezus, Petrus, Jakobus en Johannes. Ze weten nog niet wat er gaat gebeuren.
En na zes dagen nam Jezus Petrus en Jakobus en Johannes, zijn broer, met Zich mee en bracht hen op een hoge berg, alleen hen. En Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd; Zijn gezicht straalde als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht. En zie, aan hen verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken. Petrus antwoordde en zei tegen Jezus: Heere, het is goed dat wij hier zijn; laten wij, als U wilt, hier drie tenten maken, voor U een, voor Mozes een, en een voor Elia. Terwijl hij nog sprak, zie, een lichtende wolk overschaduwde hen; en zie, een stem uit de wolk zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem! En toen de discipelen dit hoorden, wierpen zij zich met het gezicht ter aarde en werden zeer bevreesd. En Jezus kwam bij hen, raakte hen aan en zei: Sta op en wees niet bevreesd. Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij niemand dan Jezus alleen. En toen zij van de berg afdaalden, gebood Jezus hun: Vertel niemand van wat u gezien hebt, totdat de Zoon des mensen opgestaan is uit de doden. — Mattheüs 17:1-9 (HSV © Stichting HSV)
Je kunt de opwinding bij Petrus bijna horen. Hij heeft net verklaard dat Jezus de Zoon van God is, de Christus, de Messias die komen zou, en Jezus heeft dat bevestigd: Petrus, dat heb je heel goed gezien. En nu staat hij oog in oog met Mozes en Elia. Petrus denkt: kassa, we hebben nu alles. We hebben Jezus, we hebben de wet, we hebben de profeten, alles is hier op deze berg. En Jezus heeft zelf gezegd dat de kerk op mij gebouwd wordt. Dus laten we hier drie tenten opzetten, drie woonplaatsen, misschien in zijn gedachten zelfs wel tempels. Eén voor Jezus, één voor Mozes en één voor Elia, want we hebben nu alles bij elkaar.
En dan komt God, in één keer. Er trekt een wolk over die berg, als een mist, denk ik, en ze horen de stem van God: dit is Mijn geliefde Zoon, luister naar Hem. Ze worden bang en vallen voorover, en Jezus raakt hen aan. Als ze opkijken, staat alleen Jezus er nog. Mozes en Elia zijn verdwenen.
Ik hou van Bijbelfeitjes, en hier kwam bij mij een klein zijpaadje naar boven: dat Mozes daar op de berg stond. Dat vind ik heel bijzonder. In Exodus vraagt Mozes aan God: toon mij Uw heerlijkheid.
Toen zei Mozes: Toon mij toch Uw heerlijkheid! — Exodus 33:18 (HSV © Stichting HSV)
En wat doet God? Hij zegt: Mijn aangezicht kun je niet zien. Hij zet Mozes in een kloof van de rots en houdt Zijn hand ervoor, en als Hij voorbij is gegaan, ziet Mozes Hem van achteren, laat ik maar zeggen.
Hij zei verder: U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven. — Exodus 33:20 (HSV © Stichting HSV)
En het zal gebeuren, als Mijn heerlijkheid voorbijtrekt, dat Ik u in een kloof van de rots neer zal zetten en u met Mijn hand zal bedekken totdat Ik voorbijgegaan ben. En zodra Ik Mijn hand wegneem, zult u Mij van achteren zien, maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden. — Exodus 33:22-23 (HSV © Stichting HSV)
Mozes is veertig jaar onderweg geweest naar het beloofde land. Vlak voor het einde slaat hij op de rots, terwijl God had gezegd dat hij tegen de rots moest spreken, en God zegt: jij mag het beloofde land niet in. Zo staat Mozes aan het eind van zijn leven op de top van een berg en ziet hij het land in de verte liggen. Hij heeft het gezien, maar hij is er nooit geweest.
En de HEERE zei tegen hem: Dit is het land waarvan Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb: Aan uw nageslacht zal Ik het geven. Ik heb het u met uw eigen ogen laten zien, maar u mag daarheen niet oversteken. — Deuteronomium 34:4 (HSV © Stichting HSV)
En wat gebeurt er hier op de berg van de verheerlijking? Mozes staat daar, met zijn voeten in het beloofde land. En hij ziet Jezus, het gezicht van God. Want de Bijbel zegt ons: wie Jezus heeft gezien, heeft de Vader gezien.
Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien? — Johannes 14:9 (HSV © Stichting HSV)
Jezus straalt daar als de zon, in Zijn heerlijkheid, in Zijn goddelijkheid. Ik vind het zo mooi dat zelfs Mozes in Jezus uiteindelijk krijgt waar hij eeuwen daarvoor naar verlangde. Gods heerlijkheid, Gods glorie, zoals die in Jezus geopenbaard is, en dat terwijl hij in het beloofde land stond. Wat de wet Mozes nooit had kunnen geven, heeft hij gevonden in Jezus.
Niet op hetzelfde niveau
Dat is, denk ik, ook de kern van wat er gebeurt op de berg van de verheerlijking. Petrus denkt: we hebben Jezus, de Zoon van God, we hebben Mozes met de wet en Elia de profeet, we hebben alles. En dan zegt God: ho, wacht even. Hij gaat er met Zijn hand overheen, Mozes en Elia worden weggenomen, Jezus blijft over, en God zegt: luister naar Hem. Ik denk dat Petrus Jezus eigenlijk tussen Mozes en Elia wilde zetten, op hetzelfde niveau, laat ik het zo zeggen. En daar is God het niet mee eens.
Begrijp me goed: ik hou van de wet. De wet is mooi, prachtig, puur en goed. Maar de wet op zichzelf brengt geen leven voort; daar komen we zo nog op terug. En de profeten wijzen allemaal naar Jezus. Ik heb hier al aardig wat preken gehouden over het Oude Testament, over hoe het een afschaduwing is van Jezus. De wet en de profeten zijn eigenlijk twee grote wijsvingers die naar Jezus wijzen. Jezus is niet gelijk aan de wet, en ook niet gelijk aan de profeten. Jezus staat erboven.
Een van de bekendste uitspraken van Jezus laat dat zien.
U hebt gehoord dat er gezegd is: Oog voor oog en tand voor tand. Ik zeg u echter dat u geen weerstand moet bieden aan de boze; maar wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe; — Mattheüs 5:38-39 (HSV © Stichting HSV)
Oog voor oog, tand voor tand is iets wat in de wet staat, één van de 613 geboden zoals de Joodse traditie ze telt. Als iemand je onrecht aandoet, mag je niet meer terugdoen dan jou is aangedaan. En dan komt Jezus en zegt: er staat in de wet geschreven oog voor oog, tand voor tand, maar Ik zeg u: keer ook de andere wang toe. De wet is mooi, maar zij is niet het hoogste gezag. Jezus is het hoogste gezag.
Daarom vind ik het zo belangrijk dat we kijken naar wat Jezus doet, hoe Hij handelt, hoe Hij wandelt. Dat kunnen we lezen in de evangeliën, en we zien het terug in het hele Nieuwe Testament. Ik denk dat de kerk in de afgelopen eeuwen de neiging heeft gehad om, net als Petrus, de wet en Jezus op hetzelfde niveau te zetten, en soms, als het ons uitkwam, de wet zelfs boven Jezus. Terwijl God hier heel duidelijk laat zien dat het zo niet is. En nogmaals: ik ben niet tegen de wet, absoluut niet. Maar de wet is een middel om ons iets te laten zien.
Van heerlijkheid tot heerlijkheid
Johannes, Jakobus en Petrus zagen Jezus veranderen in een bol van licht, zo fel dat ze er niet naar konden kijken. Paulus heeft een vergelijkbare ervaring gehad. Hij was onderweg om de christenen te vervolgen, en midden op die weg werd hij omgeven door een fel licht. Hij werd er zelfs blind van. Paulus heeft dus ook een ontmoeting gehad met de heerlijkheid van God. En Paulus was een schriftgeleerde; hij kende de wet van binnen en van buiten. Het hele Oude Testament zat letterlijk in zijn geheugen gegrift, hij kon het zo opzeggen. In zijn tweede brief aan de gemeente in Korinthe schrijft hij over de bediening van Mozes en de bediening van de Geest.
Het is immers openbaar geworden dat u een brief van Christus bent, door onze bediening opgesteld, geschreven niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet op stenen tafelen, maar op tafelen van vlees, van de harten. Zo'n vertrouwen nu hebben wij door Christus op God. Niet omdat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als was het uit onszelf, maar onze bekwaamheid is uit God. Hij heeft ons namelijk bekwaam gemaakt om dienaars van het nieuwe verbond te zijn, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. Als nu de bediening van de dood, met letters in stenen gegrift, in heerlijkheid was, zodat de Israëlieten hun ogen niet op het gezicht van Mozes gericht konden houden vanwege de heerlijkheid van zijn gezicht, hoewel die tenietgedaan zou worden, hoeveel te meer zal dan de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn? Want als de bediening van de verdoemenis al heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de gerechtigheid overvloedig in heerlijkheid. — 2 Korinthe 3:3-9 (HSV © Stichting HSV)
Paulus verwijst hier naar het moment dat Mozes van de berg afdaalde en de heerlijkheid van God van zijn gezicht afstraalde. Als je het Oude Testament leest, lijkt het alsof Mozes zijn gezicht bedekte omdat de mensen die glorie van God niet konden aanzien. Maar Paulus legt het iets anders uit: de glans op Mozes' gezicht was aan het afnemen, en Mozes bedekte zijn gezicht zodat niet te zien zou zijn dat die glorie verdween.
Paulus, die de wet zo goed kent, noemt het zelfs een bediening van de verdoemenis, gegrift op stenen tafelen. Want als het erop aankomt de wet te volgen om leven te verdienen, dan heeft dat maar één uitkomst, en dat is de dood. Niemand heeft de wet kunnen houden, behalve Eén: Jezus. De wet was een spiegel om ons te laten zien dat we niet zonder God kunnen. En dan vers 18:
Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt. — 2 Korinthe 3:18 (HSV © Stichting HSV)
Het woord dat hier vertaald is met 'van gedaante veranderd', is in het Grieks hetzelfde woord dat gebruikt wordt als Jezus op de berg verandert. Het is het Griekse werkwoord metamorphoō, en in het Nederlands kennen wij het woord metamorfose.
Als ik aan metamorfose denk, denk ik aan een rups en een vlinder. Eigenlijk vind ik dat een hele mooie vergelijking met waar Paulus het over heeft. In de pop, de cocon, wordt de rups grotendeels pap. Hij verliest bijna zijn hele structuur, en vanuit die pap komt er een vlinder tevoorschijn. Dat is letterlijk een metamorfose, een complete verandering: er is aan de vlinder bijna niets meer dat lijkt op de rups. En ik geloof dat dat ook zo mag zijn met ons. Wat Jezus wil, is Zijn licht laten schijnen in onze harten, ook op de plekken waar wij dat liever niet willen.
Als een vlinder klaar is om uit te komen, begint de cocon te trillen en te scheuren. Het slechtste wat je op dat moment als mens kunt doen, is helpen. Want als je de vlinder eruit helpt, kun je hem juist beschadigen, en vaak kan hij dan nooit goed vliegen. Het openscheuren, het zich eruit worstelen, hoort bij het proces waarin de vlinder de kracht krijgt die hij nodig heeft om te kunnen vliegen.
De les die ik daaruit haal: ik zou heel graag snelheid willen. Als ik iets veranderd wil hebben, als ik ergens tegenaan loop in mijn eigen leven of in het leven van anderen, dan denk ik: oké, ik ga je even helpen. En doen we dat soms ook niet in de kerk? Er komen nieuwe mensen binnen, ze komen tot geloof, en ze leven hun leven misschien nog niet zoals wij denken dat het hoort. Wat doen we dan? Ik heb mezelf er ook op betrapt. Dan pakken we een stukje van de wet van Mozes of een profetie, en dan gaan we helpen. Helpen om iemand zo snel mogelijk in het gareel te krijgen, zoals wij denken dat het hoort.
Als we die urgentie voelen om iemand te helpen, laten we dan even terugdenken aan dit voorbeeld van de vlinder. Iemand helpen kan soms meer kapotmaken dan het proces waar God mee bezig is. Want God is met de rups. God is met de pap tussen rups en vlinder. En God geeft de vlinder ook de kracht om zelfstandig uit die cocon te komen, op de juiste tijd. Niet te vroeg, niet te laat. Hoe laat jij de zon opgaan in je eigen leven?
Wat Petrus ervan meenam
Petrus heeft Jezus zien veranderen, stralend als de zon. Mattheüs, Marcus en Lucas vertellen dit verhaal alle drie; alleen Johannes niet, terwijl hij er zelf bij was. Dat vind ik op zichzelf al heel bijzonder, maar daar komen we misschien volgende week op. Geen van de drie vertelt verder iets over wat dit met Petrus heeft gedaan. Ik kan me voorstellen dat je daar staat en denkt: oké, dan gaan we tenten bouwen. En dan gebeurt dit, en wordt Petrus eigenlijk een beetje op de vingers getikt door God: luister naar Hem alleen. Wat voor indruk zou dat op Petrus hebben gemaakt?
Hij geeft het antwoord eigenlijk zelf, vlak voor zijn sterven, in zijn tweede brief. Daarin zegt hij al dat zijn tijd kort is: hij weet dat hij binnenkort zal sterven, dat zijn tent, zijn lichaam, snel zal worden afgebroken.
En ik acht het juist, zolang ik in deze tent ben, u op te wekken door de herinnering hieraan, omdat ik weet dat het afbreken van mijn tent nu snel zal plaatsvinden, zoals onze Heere Jezus Christus mij ook duidelijk heeft gemaakt. Maar ik zal mij ook voortdurend beijveren dat u na mijn heengaan deze dingen in gedachten blijft houden. Want wij zijn geen kunstig bedachte verzinsels gevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Heere Jezus Christus bekendmaakten, maar wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn majesteit. Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, toen een stem als deze van de verheven heerlijkheid tot Hem kwam: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb. En deze stem hebben wij gehoord, toen deze vanuit de hemel kwam, terwijl wij met Hem op de heilige berg waren. En wij hebben het profetische woord, dat vast en zeker is, en u doet er goed aan daarop acht te slaan als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart. — 2 Petrus 1:13-19 (HSV © Stichting HSV)
Opvallend: Petrus laat hier de woorden 'luister naar Hem' weg, terwijl die er op de berg wel bij hoorden. Maar zijn hele boodschap is precies dat. Petrus geeft ons hier het antwoord: richt je ogen op Jezus. Kijk niet naar regels, kijk niet naar de wet, ook al zijn de wet en haar regels goed. Kijk naar Jezus. Want leven naar de wet, leven naar regels, dat eindigt, zegt Paulus ook, in de dood. Daar zit geen leven in. Het leven zit in Jezus. Let op Hem.
De deur open voor de Morgenster
Het zit dus niet in eigen prestaties. Het zit niet in dingen die je nog moet doen of moet laten. En het zit ook niet in hoe donker het misschien op sommige plekken in je hart is.
Misschien denk je dat er plekken zijn waarvan je denkt: als God dit zou weten, dan heb ik echt een probleem. Of er is iets zo erg dat God het niet kan vergeven. Dat moet je eerst schoonmaken. Je moet eerst je leven op orde hebben voordat Jezus binnen kan komen, want wie nodigt Jezus nou uit in een rommelig, vies huis? Nee, je moet eerst opruimen. Maar dat is geen evangelie, dat zijn huishoudelijke klusjes. Het evangelie is: doe de deur open en laat Jezus binnenkomen. In de stoffige, donkere, muffe, misschien wel stinkende plekken van je huis. Hij is de Morgenster. Hij is het licht dat aangaat.
En dat is genade. Genade is onverdiend licht. Een praktisch voorbeeld: stel dat je je elektriciteitsrekeningen niet betaalt. Op een gegeven moment draaien ze ergens een knop om, en dan is het donker. Je kunt nog een paar kaarsjes aansteken, maar zolang je niet betaalt, blijft het donker. Genade is dat Jezus binnenkomt, de lichtknop aandoet en het licht gaat branden. Genade is dat je huis niet eens een aansluiting heeft, en Jezus komt binnen, doet het licht aan en het gaat branden. Dat klinkt een beetje absurd. Maar dat is eigenlijk wat genade is: onverdiende gunst, onverdiend licht. God weet alles. Hij weet alles wat we gedaan hebben, ook wat we zelf misschien al vergeten zijn. En Jezus zegt: Ik wil binnenkomen. Ik klop. Laat je Mij binnen, en laat Mij het licht maar schijnen in je hart.
Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem gebruiken, en hij met Mij. — Openbaring 3:20 (HSV © Stichting HSV)
We hebben ontvangen uit de volheid van Jezus. Johannes schrijft het zo:
En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel genade op genade. — Johannes 1:16 (HSV © Stichting HSV)
En Paulus zegt dat in Jezus heel de volheid van de Godheid woont, en dat wij in Hem volmaakt geworden zijn (Kolossenzen 2:9-10). Niet de helft, niet een kwart, niet een heel klein beetje. Het is niet zo dat de ene broeder of zuster meer van de Heilige Geest heeft dan de andere. We hebben allemaal de volheid van Jezus. Ik krijg daarom ook steeds meer kriebels als mensen zeggen: ik wil meer van de Heer. Dat kan niet! We hebben de volheid van Jezus al in ons.
Wat we missen, is de openbaring van wie er in ons woont. Ik denk dat dat het grootste euvel is van ons mensen: dat we niet beseffen, of niet voldoende beseffen, wie er in ons woont. Daar wil ik vandaag ook voor bidden: dat God ons keer op keer een diepere, nieuwe openbaring geeft van wie Hij is, wie het is die in ons woont. We hebben alles al ontvangen. Wat we nodig hebben, is alleen meer licht op wat we misschien nog niet gezien hebben of vergeten zijn. Door onze ogen te richten op Hem.
Misschien zit je hier vandaag met plekken in je leven, in je hart, die donker zijn. Plekken waar pijn is, angst, verdriet, teleurstelling. Misschien plekken van zonde, waar schaamte is. Jezus wil daar heel graag naar binnen. Niet met een lijstje van wat er allemaal moet veranderen. Niet met een oordeel over hoe slecht je wel niet bent. Nee, Hij wil daar komen en Zijn licht aansteken, zodat God van binnenuit kan helpen met opruimen, met een grote schoonmaak. Zodat ook die plekken in je hart weer plekken worden van licht en leven.
De Morgenster, met een hoofdletter M, wil opgaan in jouw hart en in het mijne. Niet morgen, als alles op orde is, maar nu, vandaag en hier. Richt je ogen op Hem, en dan komt de zon op.
Ik wil met jullie bidden.
Lieve Vader, dank U wel voor dit woord. Dank U voor wat U hebt laten zien daar op de berg van de verheerlijking: het moment waarop U duidelijk maakte dat Jezus echt Uw Zoon is, en wat Hij voor ons betekent. Heer, we willen echt luisteren naar Uw stem, die zei: dit is Mijn Zoon, luister naar Hem.
Heer, ik wil U ook danken dat Mozes daar heeft ontvangen wat U hem eerder niet kon geven, en dat U ook ons wilt geven wat wij nooit op eigen kracht kunnen verdienen. We nodigen U uit, Heer, nu, in de donkere plekken van ons leven en ons hart. Niet omdat we het al hebben opgeruimd, maar omdat we Uw licht nodig hebben en Uw hulp om het op te ruimen. Kom, Heere Jezus, steek de lamp aan en laat de Morgenster opgaan in onze harten.
Verander ons van binnenuit, van heerlijkheid tot heerlijkheid, door Uw Geest. Niet op ons tempo, Heer, maar op het Uwe. Geef ons genade om te blijven kijken naar U, totdat de laatste dag aanbreekt en de zon nooit meer ondergaat. In Jezus' naam, amen.
